‘Vernieuwing houdt me in leven’

In mei verschijnt ‘Saturn’s Pattern’, het twaalfde album van Paul Weller. Deze week treedt hij op in Nederland, maar oude succesnummers zal het publiek niet horen. „Als je muziek van The Jam wilt horen, kun je beter naar een coverband kijken.”

Paul Weller foto warner music

Eigenlijk zou hij zijn veertigjarig artiestenjubileum moeten vieren. Maar Paul Weller (56) houdt niet van terugkijken. Als oprecht modernist heeft hij de heilige eed gezworen om nooit bij het verleden stil te blijven staan. ‘The Modfather’, zoals hij genoemd wordt door fans en critici, speelt op zijn huidige tournee bijna alleen vers materiaal. Fans van zijn vroegere groepen The Jam en The Style Council moeten het stellen zonder succesnummers als Going Underground of My Ever Changing Moods. Paul Weller heeft een nieuw album en dat zullen we weten.

Saturn’s Pattern is zijn twaalfde album, sinds hij in 1990 besloot zijn bandverleden achter zich te laten en als solist met wisselende gastmuzikanten verder te gaan. Na een stroeve start bracht het solobestaan hem succes met Stanley Road (1995) en de hit You Do Something To Me. Zijn recente albums Wake Up The Nation en Sonik Kicks werden gekenmerkt door durf en experimenteerlust. „Vernieuwing houdt me in leven”, zegt Weller terwijl hij audiëntie houdt in de bibliotheek van een deftig Londens hotel. Schamper wijst hij op de oude boeken die ons omringen: „Allemaal stoffige troep waar al jaren niemand meer in gekeken heeft.”

Als leider van The Jam, de groep die hij begon toen hij zestien was, werd hij tegen wil en dank op een voetstuk geplaatst als woordvoerder van zijn (punk)generatie. „Als muzikant voelde ik me onwaardig om als boegbeeld te dienen voor politieke en maatschappelijke vraagstukken. Natuurlijk hield ik er een mening op na. Het Thatchertijdperk was een hel voor jonge mensen die een doel in hun leven zochten. Stakende mijnwerkers werden onderdrukt, de werkloosheid was enorm en Thatcher stortte het land in een vuile oorlog op de Falklands. Ik sprak me daarover uit in interviews en mijn opinies werden breed uitgemeten. Diep in mijn hart voelde ik me een onwetende sukkel die het bredere perspectief moest ontberen.”

Liefde voor muziek is wat hem al die jaren op de been heeft gehouden. „Anders dan veel tijdgenoten ben ik niet cynisch of lui geworden. Muziek is daar veel te belangrijk voor. Mijn hele bestaan draait erom, sinds ik als jochie gegrepen werd door rock-’n-roll en plaatjes van de Beatles. Al heel vroeg had ik in de gaten dat muziek een bepalende factor in mijn leven zou worden. Ik ben een product van mijn tijd, opgegroeid in de sixties en volwassen geworden in de seventies. Mijn besef van normen en waarden werd gevormd door die turbulente periode in de Britse cultuur. In de jaren zestig sprong het beeld van zwart-wit op kleur. Alles wat bleek en restrictief was in de Engelse samenleving, werd plotseling kleurrijk en open. Die hang naar vernieuwing ben ik nooit meer kwijtgeraakt.”

Nostalgie

Het is te gemakkelijk om als popster op je lauweren te rusten, vindt Weller. „Er is een grote markt voor nostalgie in de popmuziek, die gevoed wordt door bands die keer op keer hetzelfde trucje opvoeren. Als muziekliefhebber ben ik de eerste om een kaartje voor de Rolling Stones te kopen, maar zelf zou ik zoiets nooit kunnen. Als er één oudere popmuzikant is met wie ik me verwant voel, dan is het Robert Plant. Hij weigert consequent elk voorstel voor een lucratieve tournee met Led Zeppelin en is volstrekt eigenzinnig in de manier waarop hij steeds weer met iets nieuws voor de dag komt. Er gaat geen week voorbij zonder iemand die me vraagt wanneer The Jam nu eindelijk weer eens bij elkaar komt. Ik ben de laatste aan wie je dat moet vragen, want ik zou de creatieve inspanning van toen met geen mogelijkheid kunnen terughalen. Als je muziek van The Jam wilt horen, kun je veel beter naar een optreden van een goede coverband gaan!”

Hij noemt ze niet bij naam, maar zo’n coverband is From The Jam. Daarin speelt Jam-bassist Bruce Foxton met andere dan de oorspronkelijke muzikanten nummers uit het Jam-verleden. Paul Weller vertolkt nog maar zelden een song van zijn oude band. Op een recente tournee zong en speelde hij de ultrakorte punksong Art School, het openingsnummer van de eerste Jam-elpee uit 1977. „Ik sta nog altijd achter het idee dat iedereen zijn eigen plan moet trekken op het gebied van mode, kunst en muziek. Het modernisme in de kunst was de voedingsbodem voor de modbeweging, waarin alles draait om individualisme en een eigen stijl. Je hoeft niet naar een kunstacademie om die uitgangspunten voor jezelf te formuleren, was de strekking van Art School. De enige reden waarom zo’n oldie terugkeert op mijn live-repertoire is dat de muzikanten in mijn band erom vragen.”

Comfortzone

Op Saturn’s Pattern, genoemd naar de ringen van Saturnus die in gestileerde vorm op de hoes prijken, werkt Weller met jonge muzikanten als gitarist Josh McClorey van The Strypes, leden van de psychedelische folkband Syd Arthur en de twee deejays/muzikanten van het grillige remixersduo The Amorphous Androgynous.

„Samenwerking met steeds andere muzikanten haalt me uit mijn comfortzone”, zegt Weller over de soms experimentele, soms vertrouwde muziek op het nieuwe album. „Van tevoren had ik mezelf de opdracht gegeven om af te wijken van de traditionele popsong met een intro, coupletten, refrein en een tussenstuk met gitaarsolo. Van de Duitse Krautrock en van dancemuziek heb ik de kunst afgekeken hoe je lineaire, niet volgens die traditionele patronen opgebouwde muziek kunt maken die toch boeiend blijft omdat het ergens naartoe werkt. In het ideale geval is er ruimte voor improvisatie. Noem het gerust progressieve muziek, want dit is een plaat die alleen in de 21ste eeuw gemaakt kon worden.”

Gezellig meezingen met vertrouwd repertoire zit er dus niet in bij Wellers komende concerten. Hij speelt overwegend muziek van het nieuwe album dat pas op 15 mei uitkomt. Oudere songs als Into Tomorrow en Wild Blue Yonder bieden houvast, maar de hits blijven achterwege. „Mijn fans begrijpen dat ik me blijf ontwikkelen”, zegt Weller hoopvol. „En anders zijn het geen oprechte fans.”