Column

Meer belasting gemeenten kán en helpt de democratie

Het kán en het is goed voor de democratie. Er is geen wijziging van de Grondwet voor nodig. Meer belasting heffen op lokaal niveau en minder door het Rijk. Wie zich zorgen maakt over de betrokkenheid van burgers bij het openbaar bestuur kan er per direct mee aan de slag.

Nu het gemeentes zijn die steeds meer voor burgers belangrijke publieke uitgaven doen is het logisch daar ook op lokaal niveau meer geld voor op te halen. Het kabinet staat er positief tegenover en betrekt de gedachte bij de herziening van het hele belastingstelsel. Dat kan dus wel even duren.

Het is natuurlijk uitkijken geblazen als iedereen in bestuurlijk en politiek Nederland het ergens over eens is. Maar in dit geval lijken de bezwaren in het niet te vallen bij de voordelen.

Zo veel mogelijk bepalen op de plek waar je betaalt is de goede richting voor iedere democratie. No taxation without representation. Daar werk van maken kan zonder staatscommissie.

Het goede nieuws is dat meer lokale belastingheffing kán, zonder voorspelbare nadelen voor inkomensverhoudingen of werkgelegenheid. Dat is de strekking van een onderzoek waarvan het Centraal Planbureau vanmiddag de resultaten bekend maakt. Het is dus niet nodig op alles en iedereen te wachten.

Bij de decentralisatie van jeugdzorg, werk en inkomen en langdurige zorg was de grootste haast nog niet snel genoeg. Eigenlijk hoort decentralisatie van de belastingheffing daarbij. Anders worden gemeentes louter bijkantoren van de Haagse torens. Het mooie verhaal luidde dat gemeentes maatwerk kunnen leveren. De consequentie daarvan is: geef hun dan ook de bevoegdheid het benodigde geld (meer) zelf op te halen.

Gemeentes kunnen zelf een mix kiezen tussen een nieuwe ingezetenenbelasting en extra belasting op onroerend goed (door het gebruikersdeel van de onroerende zaakbelasting weer in te voeren). Dat is een plaatselijke politieke afweging. Ingezetenenbelasting is in beginsel voor iedereen gelijk, waarbij de laagste inkomens ontzien kunnen worden. Zo’n belasting is gepast bij zorg en andere diensten waar iedereen op een dag profijt van heeft. Hogere OZB legt een direct verband tussen de waarde van het huis en voorzieningen in de woonomgeving.

Van verruiming van de gemeentelijke belastingen kan alleen sprake zijn als het Rijk zich tegelijkertijd fiscaal matigt. Daar zit natuurlijk de flessenhals. Het is al jaren een teken van goede Haagse smaak om te zeggen dat de gemeenten zo veel gevoel voor de noden van de burger hebben, maar boter bij de vis, ho maar. De gemeenten krijgen via het Gemeentefonds aanzienlijk minder miljarden dan het Rijk voor dezelfde taken uitgaf.

Bovendien, het Rijk kan jaarlijks knijpen en rommelen met de verdeelsleutel in die rijksbijdrage. Gemeenten innen maar 3,4 procent van het hele inkomen van de overheid (rijk, provincie, gemeente en waterschappen). Maar gemeenten doen inmiddels 30 procent van de totale overheidsuitgaven. Dus het is niet meer dan redelijk en logisch gemeenten in staat te stellen een groter deel daarvan zelf te innen.

Verschuiving van de belastingheffing naar de gemeenten heeft verschillende voordelen. Op uitgaven waar gemeenten zelf het geld voor moeten lospeuteren bij de burgers wordt scherper gelet in de gemeenteraad dan op uitgaven uit de jaarlijkse mep via het Gemeentefonds. Burgers gaan het verband zien tussen belastingen en uitgaven. Lokale politici die herkozen willen worden bedenken zich wel drie keer vóór zij de lasten verhogen zonder klinkende prestaties te kunnen tonen.

Een bijkomend voordeel van verschuiving van belastingheffing naar de gemeenten is dat iets wordt gedaan aan het steeds grotere verantwoordingsgat bij de rijksoverheid, die 95 procent van onze belastingen ophaalt.

Zoals de Algemene Rekenkamer vorige maand de Tweede Kamer voorrekende: alleen al aan fiscale regelingen (belastingkortingen die geacht worden milieu, werkgelegenheid, groen vervoer en dergelijke schone zaken te bevorderen) wordt jaarlijks ruim 18 miljard uitgegeven. Drie keer zoveel als aan directe subsidies.

Voor veel van die regelingen is onduidelijk of zij het beoogde doel bereiken. Dichterbij huis wordt sneller duidelijk of ons geld goed terecht komt.

Na het voorwerk van het CPB, de Rekenkamer en de Raad voor financiële verhoudingen (tussen de verschillende overheden) kan Den Haag aan de slag met zijn eigen fiscale ontmanteling.

Minister Plasterk kan zijn Agenda Lokale Democratie in de overdrive zetten. Staatssecretaris Wiebes (belastingen) mag deze kabinetsperiode vast laten zien wat hij kan. Resultaat: zuurstof voor de democratie. In de gemeenteraad.

Wordt de Kamer nu jaloers?