Knetterende hekelliedjes

In haar nieuwe cabaretvoorstelling ‘D&A’ kruipt Dorine Wiersma in de huid van haar familieleden.

Dorine Wiersma interviewde voor haar voorstelling haar ouders: „Het is fijn om te snappen waar je vandaan komt.” foto ROGER CREMERS

Dorine Wiersma komt uit twee geschifte families, vertelt ze in haar nieuwe cabaretvoorstelling D&A. In een reeks satirische liedjes kruipt ze in de huid van neven, nichten, ooms en tantes om hun gekte en neuroses bloot te leggen. Die verhalen en liedjes zijn tegelijk ook een zelfportret, zegt ze, want al die mensen zitten ook in haar DNA.

Om materiaal te verzamelen interviewde ze haar ouders uitgebreid. „Elk apart, zodat ze elkaar niet zouden aanvullen en in de rede vallen. Mijn moeder is nogal extravert en theatraal en meestal heeft zij het hoogste woord van de twee. Dan vult ze ook de verhalen van mijn vader in. Samen zijn ze een soort cabaretduo in de manier waarop ze discussies voeren en elkaar vliegen afvangen. Dat is erg grappig, maar het was fijn om mijn vader zelf rustig te horen praten over zijn familie en jeugd.”

Beide ouders werden in 1940 in Indië geboren. Wiersma’s grootvader aan moederszijde was een hoge militair, die voor de oorlog moest uitwijken, met achterlating van zijn familie. Wiersma’s moeder verbleef met haar oudere zussen en moeder jaren in een gevangenenkamp van de Japanners. Na de oorlog verloor de moeder het contact met haar zussen. „Bij haar hebben vrienden de plaats van familie ingenomen. Mijn moeder is extreem sociaal. In de voorstelling vertel ik dat ik tot mijn schrik bij haar op de bank een vriendje aantref waar ik jaren geleden een paar weken iets mee had. Dan overdrijf ik niet eens heel erg. Zo’n aardige jongen, zegt ze dan.”

Over de degelijkheid van haar vaders familie zingt Wiersma een badinerend lied. „Mijn vader is een avontuurlijke man, maar daarin werd hij nooit aangemoedigd door zijn ouders. Als je maar om half zes eet: dat was belangrijk. Dat zat hem dwars en daardoor zit hij vol bewijsdrang. Dat vond ik vroeger best irritant, maar dat begrijp ik nu beter.”

Door de interviews hoorde Wiersma veel verhalen die ze nog niet kende en dat inspireerde haar. „Ik zeg het in de voorstelling niet met zoveel woorden, maar het is fijn om te snappen waar je vandaan komt. Ik ben nu 47, en ik heb geen trauma’s te verwerken, maar het is enorm verrijkend om zoveel van hun leven te weten. Ik hoop dat er na afloop mensen zijn die denken: de volgende keer ga ik ook eens met mijn oude moeder praten over haar leven.”

Eigen baas

Wiersma lijkt op haar vader, zegt ze. „Ik ben ook een individualist, die het lekker vindt om eigen baas te zijn.” En net als hij is ze een „vakidioot”, zegt ze. Toch duurde het even voor ze het cabaretvak omarmde. „Mijn eerste liefde was muziek.” Op het conservatorium studeerde ze gitaar en daarna componeerde ze vooral voor anderen. „Maar die liedjes waren zwaar, vol kommer en kwel. Ik wilde een meidenband oprichten met geinige teksten.” Met een vriendin begon ze alvast, maar die band kwam er nooit. „Iedereen vond ons leuk, vooral de teksten. Al snel was het cabaret.”

In 2000 kwam het duo tot in de finale van het Amsterdams Kleinkunstfestival. Maar de vriendin kreeg kinderen en cabaretier Kees Torn maande haar solo te gaan. „Daar ben ik schoorvoetend aan begonnen. In die tijd zat ik nog liever verborgen achter mijn pony gitaar te spelen.”

Dat is nu wel anders. Haar vermogen om geoliede, knetterende hekelliedjes met een kop en een staart te zingen is haar grootste troef. D&A bevat trefzekere liedjes over de dwepende vrouw en de jaloerse man, maar ze zingt ook een melancholiek nummer over zichzelf als gelukkige achtjarige.

Stoute Heleen

Wiersma’s doorbraak naar een breder publiek kwam in 2008, met Stoute Heleen, een pornografisch getint spotlied op schrijfster Heleen van Royen. „Heeft ze op een lul gezeten/ dan moet iedereen dat weten”, zong ze. „In die tijd zag je haar overal op straat, in reclames voor haar boek en glossy. Ik vond haar zo irritant. Iedereen had het denk ik met haar gehad, anders was dat lied niet zo aangeslagen.”

Een jaar later kreeg ze er de Annie M.G. Schmidtprijs voor beste theaterlied voor. „Heel fijn. En verrassend, want ik vind het niet mijn beste nummer. Qua gitaarwerk is het hakken en het is bepaald geen poëtische tekst. Ik ging all the way. Het moest of heel erg worden of ik moest het laten.”

Nadat ze in De Wereld Draait Door alleen het platte middendeel had gespeeld, kwam er kritiek los. „Ik heb het hard nodig om in DWDD te staan. Maar zo’n lied komt geamputeerd de huiskamer binnen en dan gaat iedereen er wat van vinden.”

Het voordeel was groter dan het nadeel, want daarna had ze een goede tijd, met volle zaaltjes. Voor D&A schreef ze weer zo’n potentieel relnummer. In de rol van een beschonken tante bezingt ze kreunend haar zoektocht naar seks met ‘zo’n lekkere neger’. Dat ziet Wiersma zichzelf niet op televisie doen. „Het theaterpubliek begrijpt wel dat ik op dat moment een ouwe dronken teef speel, maar als ik dat op tv zing zonder context krijg ik het hele land over me heen. Want het is op zichzelf natuurlijk een racistisch en seksistisch liedje.”

Het liedje schreef ze nadat ze een vrouw had ontmoet „die er geobsedeerd door was”. „Zo’n vrouw heeft het dan ook echt over ‘negers’. Dat was zo bizar. Ik ontdekte dat er zelfs seksvakanties zijn voor vrouwen die met donkere mannen willen. Het is business. Daar wilde ik wat mee. Het nummer duurt 4,5 minuut, maar bij de tv willen ze vast alleen dat leuke stukje horen: ‘Bij ons in Bloemendaal tja daar wonen ze niet/ want bij ons in Bloemendaal kennen we alleen maar Zwarte Piet.’ Dan mis je de grap in de coupletten erna dat alle donkere mannen voor haar wegrennen.”