Hooligans uit de 17de eeuw

Vanaf de zestiende eeuw reisden veel schilders vanuit Noord-Europa naar Rome. Ook toen al hadden de Nederlanders een slechte reputatie, zo blijkt op de tentoonstelling ‘Les Bas-fonds du Baroque’ in Parijs.

Theodoor Rombouts, Vechtpartij (1620-1630, Statensmuseum, Kopenhagen); Anoniem,Portretten van vier Bentvueghels (Museum Boijmans); Anoniem,Inwijding van een nieuw lid van de Bentvueghels te Rome (ca. 1660, Rijksmuseum)

Het verheven Rome had ook in de hoogtijdagen van de Barok een keerzijde. Het was een stad van meer dan alleen prachtige kerken, het pauselijke hof en de contrareformatie. Die keerzijde is het onderwerp van een smakelijke expositie in het Petit Palais in Parijs, waar heel wat hoertjes, dronkenlappen en vechtersbazen te bewonderen zijn.

De hooligans van vorige maand waren niet de eerste noorderlingen die huishielden in Rome: Nederlandse schilders waren in de zeventiende eeuw berucht. En hun in 1620 opgerichte vereniging, de Bentvueghels, de vogelbende, zorgde voor veel opschudding. Overdag aan het werk in de kerk, ’s nachts zuipen in de kroeg. Hun namen zijn nog te bewonderen als graffiti op de muren van de kerk Santa Costanza. Die kerk, ooit het mausoleum voor de dochters van keizer Constantijn, beschouwden de Bentvueghels als hun ‘heiligdom’, wegens de vele verwijzingen naar druiven in het interieur. Ze meenden dat het een oude tempel voor Bacchus was, de god van de wijn. De paus probeerde de club te verbieden, wat na honderd jaar in 1720 lukte. In totaal zijn meer dan vierhonderd kunstenaars lid geweest van de Bentvueghels.

De samenstellers van de expositie Les Bas-fonds du Baroque. La Rome du vice et de la misère in Parijs weten een levendig beeld te schetsen van de Nederlandse schildersclub, waar overigens ook Vlamingen, Duitsers en Scandinaviërs lid van waren. Vanaf de zestiende eeuw trokken veel noordelijke schilders naar Rome om te werken tussen de overblijfsels van de Klassieke Oudheid en te leren van de moderne Italiaanse meesters. Zonder een reis naar Rome was de opleiding tot schilder niet compleet. Sommigen beviel het zo goed, dat ze de stad nooit meer verlieten.

Na Michelangelo, Titiaan en Da Vinci had Caravaggio (1571-1610) laten zien wat je met licht, kleur en beeldhoek voor dramatische, filmische effecten kunt bereiken. De Bentvueghels en andere barokschilders legden kroegscènes en knokpartijen met evenveel gevoel voor theater vast. De nette kant van de Barok negeert Les Bas-fonds du Baroque, want die is bekend genoeg. De expositie geeft liever ruim baan aan de onderkant van de samenleving.

Het Petit Palais wijdt een apart zaaltje aan de Bentvueghels. Een anoniem werk uit het Rijksmuseum laat de inwijding zien van een nieuw lid rond 1660. De sfeer is feestelijk met een stuk of twaalf blootsvoetse mannen in kleurige Romeinse gewaden. De bijeenkomst ziet eruit als een satire op de dikdoenerij van andere genootschappen en hoven. De voorzitter-kunstenaar van de Bentvueghels zit op een troon in wit gewaad met laurierkrans op zijn hoofd. Op de achtergrond wordt op een verhoging een tableau vivant opgevoerd met een naakte Bacchus, de held van de Bentvueghels en op bijeenkomsten altijd gespeeld door het dikste lid. Verschillende aanwezigen kijken de toeschouwer veelbetekenend aan.

Het decorum laat het genootschap helemaal los op het schilderij De Bentvueghels in een Romeinse herberg van Roeland van Laer. Ook dit beeldt een inwijdingsrite af. Ditmaal halen ze acrobatentoeren uit op een tafel, staan drie leden samen op een ladder en zijn anderen hun naam op de muur aan het schrijven. Waarschijnlijk zijn dat de nieuwe leden.

Het schilderij van Pieter Boddinghs van Laer met een man die te paard in een herberg een kruik aan zijn mond zet terwijl de kroegbaas geamuseerd toekijkt, geeft de sfeer goed weer van het leven van de Hollanders in het oude Rome. Cornelis Poelenburgh schilderde een man die wildplast tegen de verder vorstelijke weergegeven Romeinse ruïnes. Vast een Nederlander. Van een anonieme kunstenaar hangen tekeningen uit Boijmans Van Beuningen met een reeks vrolijke portretten van drinkende en pijprokende Bentvueghels, met naam én de bijnaam waarmee ze in de vereniging bekend waren: zoals Willem van Aelst (Vogelverschrikker), Dirck van Baburen (Biervlieg) en Karel Dujardin (Bokkebaard).

Niet alleen noorderlingen legden het donkere leven van zeventiende-eeuws Rome vast. Ook Fransen, Italianen en Spanjaarden als Nicolas Tournier, Claude Lorrain, Bartolomeo Manfredi en Jusepe de Ribera konden het onderwerp niet weerstaan. Overdag maakten ze indrukwekkende landschappen of stichtelijke portretten, ’s nachts hadden ze oog voor de persoonlijkheid van een bedelaar (Ribera) of voor de hoeren en hun klanten (Lorrain).

Op veel van de getoonde werken zijn de hoge techniek en het lage onderwerp uitstekend gecombineerd. Ook door Jan Miel (1599-1664) op een landschap in de omgeving van Rome, geschilderd in de Italiaanse stijl die veel noordelijke schilders beheersten. Meestal zie je op zo’n schilderij wandelaars, herders met hun kudde, een groepje reizigers te paard, handelaren met bepakte ezels – iets landelijks zogezegd. Miel beeldt voor de verandering een gewelddadige roofoveral af. Een vrouw wordt geslagen, een man neergeschoten, iemand vlucht terwijl een rover zijn geweer op hem richt. Een andere reiziger ligt dood op de grond. Dat alles op het heerlijke, pittoreske, platteland van Rome.