Het zandpad van Van Vollenhoven

Ik kende twee conducteurs van naam. Vader en zoon, ze woonden in de straat waar ik opgroeide. Altijd als er weer ergens een conducteur was geslagen, hoopte ik stiekem dat het die zoon was. Omdat ik dat wel zou begrijpen. Ik had hem als puber vaak willen slaan. Dat had verder niets met zijn vader of zijn latere beroepskeuze te maken, hoewel je in retrospectief ook kon zeggen dat er altijd al wel een conducteur in hem had gezeten.

De kans dat ze hem hadden geslagen, nam ondertussen wel met de week toe want ze werden opeens overal aangevallen, in het paasweekeinde zelfs op het traject Oisterwijk-Tilburg. Zelf dacht ik bij al die nieuwsberichten stiekem dat conducteurs hun PR gewoon goed op orde hebben. Beter dan bedreigde docenten, die halen echt de kranten niet meer.

Er waren in korte tijd zoveel slachtoffers onder conducteurs gevallen dat je kon wachten tot ze over de meest voor de hand liggende oplossingen zouden beginnen, variërend van een wapenuitrusting tot terugkeer van de spoorwegpolitie. En dan is het toch mooi dat Pieter van Vollenhoven bestaat die in zijn hoedanigheid als voorzitter van de Stichting Maatschappij en Veiligheid naast de begaanbare paden ook een zandweg insloeg die nog niemand kende.

Er moest een korte training komen waar ‘goedwillende reizigers’ konden leren hoe of ze een conducteur in nood konden bijstaan en conducteurs op hun beurt moesten op cursus om de geboden hulp op de goede manier te implementeren.

Je zou als Pieter natuurlijk ook ongevraagd kunnen adviseren om te stoppen met het uitkleden van de geestelijke gezondheidszorg, want als je verwarde mensen de straat op schopt, gaan ze zich ook verplaatsen en dat doen ze – heel verstandig trouwens - het liefste met het openbaar vervoer. Toen ik daarover nadacht, vond ik opeens dat er tegenwoordig verrassend weinig conducteurs worden geslagen.

Toen de vader van de conducteur die ik zelf graag had willen slaan 25 jaar bij NS zat, werd hij op een platte kar rondgereden, waar wij, de buurtkinderen, verplicht achteraan moesten fietsen. En maar bellen.

Een paar jaar later gooiden de mensen met wie we onze fietsen hadden versierd bij het huis van het conducteursgezin de ruiten in omdat de vader verdacht werd van misbruik. Natuurlijk verhuisden ze, we hoorden er nooit meer van. Behalve dan het nieuws dat die zoon later ook conducteur was geworden.