Buitenlandse journalist is vaak doelwit

Persvrijheid in Turkije is een uiterst relatief begrip. De rechtszaak tegen journalist Fréderike Geerdink dient vooral als waarschuwing.

Journalist Fréderike Geerdink kort nadat zij gisteren de rechtbank heeft verlaten in Diyarbakir. foto AFP / ILYAS AKENGIN

Erol Önderoglu zit twee keer per week in een rechtszaal in Turkije voor een zaak tegen een journalist. Omdat Turkse en Turks-Koerdische journalisten geregeld worden vervolgd, volgt hij deze processen voor Reporters without Borders en voor Bianet, een Turkse mensenrechtensite. Woensdag was hij in Diyarbakir, een grote stad in het zuidoosten van Turkije, waar de Nederlandse journalist Fréderike Geerdink woont en terecht staat.

Geerdink wordt ervan beschuldigd propaganda te maken voor een terroristische organisatie, de Koerdische gewapende PKK. Woensdag was de eerste en vermoedelijk enige zitting. De aanklager vroeg zelf om vrijspraak. Maandag doet de rechtbank uitspraak. Het lijkt erop dat de zaak tegen Geerdink vooral diende als een waarschuwing. Een onvriendelijke herinnering aan journalisten in Turkije dat ze in de gaten worden gehouden. Dat geldt met name als ze schrijven over het grootste Turkse binnenlandse conflict, de strijd om rechten voor de grote Koerdische minderheid. „Als journalist in Turkije weet je dat”, zegt Geerdink, kort na de bijeenkomst. „De emoties kunnen oplopen. Er zijn zoveel rechtszaken tegen Koerden. Ik ben me dat bewust. Dat is geen reden me niet uit te spreken. Maar het is wel een reden om zorgvuldig te formuleren.”

Turkse journalisten zijn zich de gevoeligheid van dat onderwerp zeer bewust. Hoewel de ‘Koerdische Kwestie’ geen taboeonderwerp meer is, zoals in de jaren negentig, past een groot deel van de journalisten toch zelfcensuur toe. De Turkse anti-terreurwetten en de grote politieke invloed op justitie maken het gemakkelijk hen te vervolgen. Op dit moment wachten ruim tweehonderd journalisten in Turkije op de uitkomst van hun proces.

Vrijheid van meningsuiting is in Turkije al jaren een uiterst relatief begrip. In de Turkse republiek, die in 1923 werd gesticht, is nooit echte persvrijheid geweest. Na 2000 en deels onder invloed van de toenadering tussen Turkije en de Europese Unie (EU) nam de vrijheid toe. De afgelopen twee jaar is de tendens weer negatief.

„Het is verontrustend omdat Turkije, een kandidaatlid van de EU, een andere kant op zou moeten bewegen,” zegt Önderoglu. Justitie zou onafhankelijker moeten zijn en de mensenrechten gewaarborgd. Maar Turkije is daar nog niet klaar voor, concludeert hij. Je kunt niet tegelijk een groot onopgelost binnenlands conflict hebben, waarbij een deel van de bevolking wordt gediscrimineerd via anti-terreurwetgeving, en Europese wetgeving implementeren. Die twee zijn tegenstrijdig. „Zonder een einde aan dit politieke conflict zullen we steeds deze gesprekken hebben over journalisten of artiesten in de gevangenis.”

Protesten in Gezi-park

De negatieve tendens lijkt te zijn begonnen met de grootschalige anti-regeringsprotesten aan het begin van de zomer van 2013. Wat begon als een demonstratie tegen het verdwijnen van het Gezi-park in Istanbul, werd een brede beweging voor mensenrechten. De regering voelde zich bedreigd en reageerde defensief en agressief. „Premier (inmiddels president) Erdogan zag ‘Gezi’ als een grote samenzwering tegen hem, die werd gesteund door buitenlandse media,” zegt Önderoglu.

Sindsdien zijn buitenlandse journalisten steeds vaker het doelwit. Erdogan valt tegen ze uit of ze krijgen bedreigingen via sociale media van regeringsaanhangers. Enkelen voelden zich daardoor genoodzaakt te vertrekken of zijn door hun werkgevers overgeplaatst. „Geerdink is een doelwit van de autoriteiten, juist doordat ze een buitenlandse is,” denkt Önderoglu. „Zij heeft een band met de politieke beweging hier, die door haar werk en doordat ze in Diyarbakir woont op een bepaalde manier helpt om hun zienswijze te verspreiden.”

Toch is de wetgeving in Turkije de afgelopen jaren verbeterd. Veel wetten zijn gebaseerd op Europese standaarden. Maar tegelijk is er wetgeving die specifiek is voor Turkije, zoals de anti-terreurwetgeving waaronder ook Geerdink is aangeklaagd. Het probleem is de toepassing en de grote politieke invloed op aanklagers en rechters. De rechtbanken zijn niet onafhankelijk.

Geen sprake van propaganda

De Turkse verhoudingen blijken enigszins uit de manier waarop de rechtbank is ingedeeld. De rechtszaal waarin Geerdink woensdag moest verschijnen was groot. Er kunnen honderd verdachten tegelijk in worden berecht. De aanklager zat naast de drie rechters op een verhoging. Hij heet in Turkije ‘staatsaanklager’, niet zoals in Nederland ‘openbaar aanklager’, een subtiel maar betekenisvol verschil wat op een nauwere band tussen de aanklager en de staat duidt.

De situatie is, kortom, niet zwart-wit. Tot ieders verbazing zei gisteren in de zaak tegen Geerdink de aanklager – een ander dan degene die het onderzoek tegen haar leidde – precies wat hij volgens haar had moeten zeggen. De nieuwe aanklager is tot de slotsom gekomen dat ze met haar journalistieke werk geen propaganda voor terroristen bedrijft. Ze loopt niet rond met logo’s van de Koerdische gewapende beweging PKK op haar kleding. Ze roept in haar stukken niet op tot geweld. En dus valt wat Geerdink doet onder de vrijheid van meningsuiting, concludeert hij. Dat is ook wat ze zelf in haar verdediging betoogde: „Er is geen ontkennen aan. Ik ben een journalist,” zei Geerdink aan het slot. „Zelfs als je me neerzet als een propagandist.”