Boy Edgars geniale chaos

Ter ere van zijn honderdste geboortejaar zijn er een cd en een boek verschenen over jazzmuzikant Boy Edgar. Maar wie was hij eigenlijk?

Boy Edgar in het Concertgebouw Amsterdam 1971 foto’s Pieter Broersma

Elk jaar wordt de Boy Edgarprijs uitgereikt. Die kan beschouwd worden als de voornaamste prijs in de Nederlandse jazzwereld, maar wie zijn naamgever was, is velen onbekend. Ook al noemde Nina Simone Boy Edgar een genie, zijn platen zijn niet meer te krijgen. Ook al was hij bevriend met Duke Ellington en zette zijn bigband de jazz in Nederland op de kaart; eigenlijk is Boy Edgar (1915-1980) haast vergeten.

Dat is waanzinnig onlogisch, zeker als je weet wat een flamboyant, turbulent bestaan de man leefde. Hij was een kiene hersenkenner, briljant wetenschapper en pionierend huisarts, maar ook een begenadigd jazzarrangeur en geestdriftige orkestleider die met zijn woeste haren, zwarte ogen, slordige kleren en volle figuur voor of middenin het orkest als een kat heen en weer sprong. Boy Edgar was vooral ook de man die geen keuzes maakte: een musicus met een medisch dubbelleven. Een arts met een nachtvlinderbestaan.

In 2012 al werd op bescheiden doch charmante wijze een poging gedaan Edgar aan de vergetelheid te ontrukken in een mooi radioportret voor de NTR: De geniale chaos van Boy Edgar. Die was gebaseerd op ruwe interviewopnamen van radiomaker Bob Uschi. Vorige week was het Edgars honderdste geboortedag en ineens kan de aandacht niet op: er is een cd met zijn beste liveopnamen, een stevig boek over zijn leven, en er is een documentaire door Hans Hylkema in de maak.

Handelsman

Goed, wie was die Boy Edgar dan? Allereerst een man die zijn vader al vroeg verloor. Zijn moeder was Indisch, zijn vader Armeens. De in 1915 in Amsterdam geboren George Willem Fred Edgar – ‘Boy’ – groeide op in relatieve weelde: mooie huizen, eersteklas reizen. Zijn vader, George Edgar, was een handelsman die goederen als koffie en cacao importeerde uit Nederlands-Indië. Hij deed goede zaken, tot de beurskoersen van New York instortten. Hij stierf op zijn 52ste, toen Boy twintig was.

Op zijn vijftiende had Boy zijn eerste plaatje gekocht: Mood Indigo van Duke Ellington. De volle blazerssound, de ingenieuze arrangementen zou hij later ook nastreven, zo wordt beschreven in Boy Edgar, het dubbelleven van een alleskunner, geschreven door Marie-Claire Melzer en Marieke Klomp. Aangemoedigd door zijn moeder ging hij geneeskunde studeren. Met wiskundebijles verdiende hij bij. Een van zijn leerlingen betaalde hem eens met een oude trompet. Edgar was autodidact. Arrangeren keek hij af van een vriend, en ook trompet en piano leerde hij zichzelf spelen.

De gedegen historische beschrijvingen van hoe de jazz zijn intrede deed in Nederland geven de biografie extra waarde. Toen de jazz met de bevrijder het land binnenkwam, en de muziek in de jaren na de Tweede Wereldoorlog tot bloei kwam, had Edgar vele schnabbels in de jazzkroegen. Het was een dubbelleven: overdag voerde hij controles uit in doktersjas, ’s avonds speelde hij piano in de Casablanca, met Kid Dynamite op tenorsax.

Indrukwekkend is te lezen hoe hij zich terugtrok uit de jazz toen zijn vrouw Mimosa bleek te lijden aan multiple sclerose. In de hoop haar te kunnen helpen, ging hij het ziekteproces wetenschappelijk onderzoeken. Zijn neurochemische bevindingen waren baanbrekend pionierswerk – hij promoveerde in 1955 cum laude. Maar voor Mimosa was er geen remedie en ze stierf in 1958. Een paar jaar later trouwde hij met de vijftien jaar jongere Ida. Na jaren zonder muziek kwam er weer ruimte voor jazz.

Arrangeur

Op de cd Return, een nieuwe uitgave van het Nederlands Jazzarchief in de serie Treasures of Dutch Jazz, klinken opwindende liveopnamen uit de gloriejaren van Boy’s Big Band (1965-1966). Edgar werd gevraagd als arrangeur voor een gelegenheidsband voor een jubileumconcert. Het was een rond de Diamond Five geformeerde band, met geroutineerde radiomuzikanten en tegendraadse jazzmusici. De band glorieerde in het Concertgebouw. De VARA bood een contract als huisorkest voor jazzradio-uitzendingen. Boy’s Big Band was ongenadig sprankelend en artistiek hoogstaand, met zijn geestdriftige leider die arrangeerde en componeerde. Edgars liefde voor Ellington klonk door: ook hij liet solisten naar eigen inzicht hun gang gaan. Maar spelen bij Boy was de hemel of de hel, constateren de biografen na gesprekken met veel collega-musici. Men vond hem geniaal, maar wat was het een chaos: met aanwijzingen op vodjes (‘doktersrecepten’), repetities zonder orde en impulsieve veranderingen, soms nog tijdens liveopnamen.

Het artistieke hoogtepunt was midden jaren 60. Boy’s Big Band nam de lp’s Now’s The Time (1965) en Finch Eye (1966) op. Daarna zijn er nog vele muzikale projecten geweest, maar zoals toen werd het niet meer. Dat Edgar werkzaam bleef als arts was een beroepsmatige spreidstand die hem tot uitersten dreef. In het boek wordt pijnlijk duidelijk hoe hij grote offers bracht voor de jazz – zoals zijn academische loopbaan en zijn tweede huwelijk. Zijn drive om intens te leven, zijn academische denken maar ook sociaal bewegen als huisarts in de Bijlmer en adviseur in de eerste abortuskliniek; het was gewoon te veel. Hij moest er zijn voor zijn patiënten, voor zijn musici, voor zijn dochter en zoon, de vrouwen die hij liefhad. Hij leefde niet gezond, dronk veel, kreeg ernstige leverproblemen en werd zeer depressief.

De geniale, chaotische Edgar stierf op zijn 65ste. De Wessel Ilcken prijs, die Edgar zelf kreeg in 1964, werd in zijn sterfjaar 1980 omgedoopt tot de Boy Edgarprijs.