Column

Zadie

De Engelse schrijfster Zadie Smith was gisteren in Amsterdam – voor een middag, een avond en een ochtend. In haar programma was ruimte vrijgemaakt „to gather my thoughts”. In haar debuutroman White Teeth plaatste ze de wereld van haar jeugd in de Londense migrantenwijk Willesden in het vehikel van de 19de-eeuwse roman. Met verschillende verhaallijnen, uit het leven gegrepen dialogen en details over de verzorging van afrokapsels en de dagelijkse routine van een jihadist. De combinatie van haar realisme en droge humor troffen me zeer.

Geïnspireerd door dat boek trok ik zelf anderhalf jaar naar de Rotterdamse Afrikaanderwijk, de oudste migrantenwijk van Nederland, om de lotgevallen van drie families te volgen en te beschrijven: een Turkse, een Marokkaanse en een Nederlandse. Zo kwam Afri tot stand.

Gistermiddag liep ze het kantoor van debatcentrum De Balie binnen om met een leesclub van jonge journalisten over haar essays te praten. Ze is lang. Haar gezicht is bezaaid met sproeten, het haar opgestoken in een rode wrong, haar blik open. Nerveuze vragen schieten door de kamer, de tafel is bezaaid met boeken. Een werkcollege.

Ze zegt pittige dingen als: „Alle mooie Nederlandse schilderijen uit de Gouden Eeuw zijn geschilderd met bloed. Er stroomde geld door de grachten. Schilderkunst en slavernij maakten elkaar mogelijk.” Of: „Honderd jaar geleden hing ik nog aan de achterkant van een boom.” En dan wrijft ze langs haar neus.

’s Avonds in een interview met Arnon Grunberg in de grote zaal noemt Zadie Smith de mens „een serie ongelofelijk onprecieze en veranderlijke impulsen. En toch slagen we erin mensen steeds tot een collectieve identiteit te reduceren.” Ze kijkt de zaal met ruim tweehonderd bezoekers in. De meesten van hen zijn jong, wit en vrouw. „Neem mij en mijn broers”, zegt ze. „Wij zijn alle drie van een witte vader en een zwarte moeder. Ik ben bleek met een lange neus. Mijn broer is helemaal zwart en wordt op straat door de politie aangehouden en mijn jongste broer ziet eruit als een Arabier en wordt door de NSA in de gaten gehouden. En toch is mijn broer mijn broer.”

Gek, zegt ze, dat haar eigen kinderen wit zijn. „Als ze de kamer in kwamen, dacht ik steeds: really?” Ze is over slavernij aan het schrijven en dat raakt haar diep. „Wist je dat slavenkinderen met een witte vader bleven leven en kinderen met een witte moeder werden vermoord?” En: „Het meest vernederende van slavernij was het verbod op lezen. De neger werd gezien als een fysical being.” Zelf heeft ze als kind uit een arbeidersmilieu op de universiteit alles in zich opgezogen. „Ik werd gedwongen Shakespeare, Chaucer, Keats te lezen, maar zij maakten mij vrij. Het was een geschenk.”

De zaal lacht om haar citaten van oude rappers en stand-upcomedians. Ze zou wel af willen van de taal van identiteit, zegt ze. „Die is niet langer genoeg voor mij.” In een betere wereld zou die taal ook niet nodig zou moeten zijn, zegt ze, maar in deze wereld moeten schrijvers zoals zij daar nog altijd doorheen. „Ik wil niet dat iemand mij tolereert of lief heeft ondanks mijn kleur.”

Vanochtend heeft ze gewandeld door Amsterdam. Als u dit stukje leest, is ze weer in Londen.