Stedelijke regio’s krijgen voortouw bij cultuurbeleid

Raad voor Cultuur wil stedelijke regio’s cultuurplannen laten voordragen voor subsidie door Rijk.

Illustratie Tomas Schats

Komt er geld bij of niet? Dat is voor veel culturele instellingen de grote vraag bij het advies dat de Raad voor Cultuur vandaag uitbrengt. Durft de raad de minister te adviseren een deel van de drastische bezuinigingen terug te draaien, hoewel Bussemaker in haar adviesaanvraag heeft aangegeven dat daar eigenlijk geen speelruimte voor is? „In het regeerakkoord is geen extra geld voorzien voor cultuur. Ik verzoek u daar bij uw Agenda Cultuurbeleid rekening mee te houden”, schreef ze eind januari.

De raad heeft zich daar niet helemaal aan gehouden in zijn Agenda Cultuur, 2017-2020 en verder. In een ‘Investeringsbijlage’ doet de raad de oproep om 29,5 miljoen euro extra budget in te ruimen (zie inzet). Dat klinkt stoer, maar het zijn merendeels voorstellen om reparatiemaatregelen die Bussemaker zelf al heeft getroffen structureel te maken of budget naar cultuur over te hevelen. Onder meer voor talentontwikkeling, voor behoud van instellingen als het Metropole Orkest en voor de postacademische opleidingen.

Hoewel de situatie soms nijpend dreigt te worden, zoals HET Symfonieorkest vorige week duidelijk maakte, streeft de raad niet naar ruimere budgetten voor de instellingen die nu structurele subsidie krijgen. „Die vraag hebben we niet gekregen van de minister”, zeggen voorzitter Joop Daalmeijer en algemeen secretaris Jeroen Bartelse in een gesprek over het advies.

In die 29,5 miljoen euro zit niet de crux van dit advies. Dat ligt in het voorstel om keuzes in het cultuurbeleid meer te laten bepalen door stedelijke regio’s en minder door het Rijk. Niet nu direct, maar over vier jaar, waarbij de beweging in de komende periode al ingezet moet worden. De raad wil het geen decentralisatie noemen. Daalmeijer: „Dan is het net of je geld over de schutting gooit en tegen de steden zegt dat ze het zelf maar moeten uitzoeken. De regie blijft bij het Rijk. Het Rijk moet ook witte vlekken invullen waarin stedelijke plannen niet voorzien en grote internationaal opererende instellingen financieren.”

Regionaal profiel

De raad vindt dat het cultuurbeleid nu te veel gericht is op individuele instellingen. Lokale overheden laten hun beleid nu te veel afhangen van landelijke besluiten om instellingen meer of minder subsidie te geven. Daarom wil de raad de volgorde in de besluitvorming omdraaien. Eerst moeten stedelijke regio’s plannen indienen bij het Rijk, daarna moet dat Rijk beslissen of ze als medefinancier optreedt. De subsidieperiode zou met een of twee jaar verlengd moeten worden bovenop de huidige vier.

Deze ideeën heeft de raad het afgelopen jaar ontwikkeld door uitgebreid door het land te reizen en het gesprek aan te gaan. Daalmeijer: „Dan zie en hoor je dat de behoeftes heel verschillend zijn. Het maakt nogal uit of je in de Randstad zit of in een krimpregio. In Maastricht krijg je een heel ander verhaal dan in Amsterdam.”

Dat betekent ook dat het aanbod in regio’s heel verschillend zou moeten zijn. „We willen dat stedelijke regio’s zelf een profiel kiezen dat bij hen past”, zegt Bartelse. Daalmeijer benadrukt dat het niet alleen om de grote steden gaat: „Zo’n plan kan ook komen uit Zeeland, of uit de Drechtsteden waar veel gebeurt.”

De strikte verdeling uit het verleden dat het Rijk gezelschappen financiert en de lokale overheden de podia is niet meer houdbaar, stelt de raad. Dat zit het toenemend aantal samenwerkingsplannen in de weg, zoals de voorgenomen fusie in Rotterdam tussen schouwburg, RO Theater, Wunderbaum en Productiehuis Rotterdam en in Den Haag tussen de Koninklijke Schouwburg en het Nationale Toneel. Het Fonds Podiumkunsten moet volgens het advies de ruimte krijgen om podia te subsidiëren die met gezelschappen samenwerken.

Met experimenten moet al onderzocht worden hoe dit decentrale cultuurbeleid vorm kan krijgen, maar de raad adviseert niet om het al vanaf 2017 in te voeren. Voor de komende subsidieperiode wil de raad wel op een andere manier aanvragen beoordelen, waarbij instellingen minder in een keurslijf van prestatie-indicatoren en voorwaarden worden gedwongen.

Zo moet ook de eigen inkomstennorm, waaraan het vorige kabinet veel waarde hechtte, „geen knock-outcriterium” meer zijn. „Het is nu veel te rigide”, zegt Daalmeijer. „Je moet er als instelling bijvoorbeeld voor kunnen kiezen om geen toegang te heffen als je daar goede redenen voor hebt, zoals De Vleeshal in Middelburg goede tentoonstellingen toegankelijk heeft gemaakt voor het Zeeuwse publiek.”

Ondernemerschap zal ook geen apart criterium meer zijn. Wel bedrijfsvoering, om te kijken of de plannen voor een financieel gezonde instelling zorgen. Maar hoe dat wordt bereikt, moet meer overgelaten worden aan de instelling zelf.

Daarnaast zal de raad blijven toetsen op publieksbereik en op kwaliteit. Maar dan niet alleen artistieke kwaliteiten als vakmanschap en zeggingskracht, maar ook educatie, talentontwikkeling of innovatie.

Bezoekersaantallen

Ook het aantal bezoekers moet niet langer als een maatgevend getal worden beschouwd. „Simpelweg het aantal bezoekers van een cultuurinstelling zegt weinig”, stelt de raad. Aan welke mix van criteria een instelling wordt getoetst, wordt afhankelijk van het profiel en de doelstellingen die de instelling zelf kiest.

Ook wil de raad flexibeler kunnen omspringen met subsidiebedragen en termijnen. Zo moeten de cultuurfondsen de mogelijkheid krijgen om vierjarige subsidies te verstrekken, zodat gezelschappen en instellingen meer zekerheid krijgen.

De raad wil in de volgende beoordelingsronde een stap inbouwen waarbij aanvragers de gelegenheid krijgen hun aanvraag toe te lichten. Een extra ronde dus. Bartelse: „Als je instellingen vraagt om een profiel te kiezen, en als je ze daar vervolgens op gaat toetsen, moet je ze de kans geven om hun verhaal te vertellen. Daar vragen we de minister extra tijd voor.”