‘Nieuwe normaal’ blijft van kracht

Het IMF voorziet structureel lagere groei in zowel industrielanden als in de opkomende markten.

Schoenenwinkel in Hefei in China. Zowel gevestigde als opkomende economieën moeten rekening houden met minder economische groei. Foto Reuters

Industrielanden en opkomende landen moeten op de middellange termijn rekening houden met veel minder economische groei dan gebruikelijk. Dat stelt het Internationale Monetaire Fonds (IMF) in zijn World Economic Outlook, waarvan enkele hoofdstukken zijn vrijgegeven aan de vooravond van de halfjaarlijkse IMF-vergadering in Washington. Structureel lagere economische groei maakt het voor regeringen lastiger om hun begroting op orde te krijgen, maakt schulden moeilijker af te lossen en zorgt voor lagere rentevoeten dan voorheen.

De structureel lagere groei werd vlak na het uitbreken van de financiële crisis van 2008 al voorzien door econoom Mohamed El-Erian, die destijds werkzaam was bij het Amerikaanse Pimco, een van ’s werelds grootste beleggers in obligaties. Hij verzon toen de term ‘het Nieuwe Normaal’. Anderhalf jaar geleden blies de Amerikaanse econoom Larry Summers een uit 1938 stammende theorie van ‘structurele stagnatie’ (secular stagnation) nieuw leven in. Daarbij slaagt de economie er na een depressie niet in om het groeitempo van voorheen te behalen.

In een poging de oorzaken te duiden voorspelt het IMF in de industrielanden een te lage groei van de investeringen in kapitaalgoederen en een tragere toename van de hoeveelheid arbeid. Ook de toename van de effectiviteit waarmee kapitaal en arbeid worden ingezet is lager. Samen bepalen de factoren arbeid en kapitaal en de productiviteit de zogenoemde ‘potentiële groei’. Dat is de ‘kruissnelheid’ van de economie: het tempo waarmee deze maximaal kan groeien zonder dat er krapte ontstaat.

Voor de gevestigde industrielanden lag de potentiële groei in de jaren negentig iets boven de 2,5 procent. Al voordat de financiële crisis uitbrak nam dat af, tot 2 procent in de jaren 2005-2007. Tijdens de crisis dook de potentiële groei onder de 1,5 procent. Maar het herstel tot de waarden van vroeger blijft nu uit: tot 2020 moet worden gerekend op slechts 1,6 procent potentiële economische groei. De stijging van het aantal banen blijft laag door de vergrijzing en de groei van de investeringen in kapitaalgoederen herstelt niet tot het niveau van vóór de crisis.

In de opkomende landen gaat er zelfs twee procentpunt aan potentiële economische groei af ten opzichte van het niveau van vóór de crisis. Hoofdschuldige hier zijn achterblijvende investeringen en een teruglopende productiviteitsgroei. Dat laatste komt doordat het inhaaleffect waarbij steeds geavanceerdere technologie werd aangewend, uitgewerkt raakt naarmate deze landen de bovengrens van de technologische ontwikkelingen dichter naderen.

Een van de belangrijkste implicaties van een wereldwijde lagere economische groei is volgens het IMF dat de rentevoeten structureel lager komen te liggen. Veel centrale banken hanteren nu al een rente van nul of dicht daarbij. In Japan is dat al lang het geval, maar ook de Verenigde Staten en Europa. China heeft eveneens al lage rentes.

Omdat rentes nauwelijks negatief kunnen zijn, moeten centrale banken hun toevlucht nemen tot andere maatregelen, zoals ‘kwantitatieve verruiming’. De Europese Centrale Bank is daar vorige maand mee begonnen. Het IMF stelt dat de nulgrens van de rente in de toekomst veel vaker zal worden bereikt, als de economische conjunctuur dan van tijd tot tijd naar beneden gaat. Het ongebruikelijke beleid van centrale banken zal dan dus vaker moeten worden ingezet.

In de gevestigde industrielanden is het volgens het IMF vooral belangrijk om de potentiële groei te verhogen door het opvoeren van de vraag naar investeringen, mede door de overheid. In opkomende landen gaat het vooral om het opschroeven van de productiviteit, door het openbreken van markten, het wegnemen van belemmeringen voor bedrijven en beter onderwijs.