Het geknars en gebeuk klinkt nog schriller

Het beeld dat het Britse trio The Prodigy inmiddels oproept, is dat van een verouderde bokser die steeds de ring weer in wil. Zijn stoten missen kracht, hij moet compenseren met trucs. Ook Liam Howlett, Keith Flint en Maxim, in de jaren negentig uitvinders van de daverende combinatie van rock en elektronische breakbeats, weten van geen ophouden. Dit tot plezier van het publiek. Er is veel belangstelling voor The Prodigy – opgericht in 1990 – en hun optredens, getuige het uitverkochte concert dat de band vrijdag geeft in de Heineken Music Hall, Amsterdam. Behalve dat The Prodigy in de jaren negentig een paar onverslijtbare nummers maakte (‘Poison’, ‘Firestarter’), was de band een van de eersten die elektronische dance ook live aantrekkelijk uitvoerde.

Zes jaar werkten de drie aan de nieuwe, zesde cd, The Day Is My Enemy. Er werd een paar keer van studio gewisseld, opnamen werden afgedankt, steeds werd gezocht naar manieren om harder, energieker en, zo vertelde Liam Howlett, ‘bozer’ te klinken. Het resultaat is een veertiental nummers die bijna onophoudelijk beuken, slaan en knarsen. The Prodigy klinkt niet zozeer boos, maar lijkt je vooral boos te willen maken. En wel met geluiden die teisteren door rafelige schrilheid. Bovendien lijkt Howlett - ondanks zes jaar studioarbeid – zijn voorraad cirkelzaag– en drilboorklanken de laatste jaren nauwelijks meer te hebben ververst. Ook de beats hebben hetzelfde tempo als weleer. De Prodigy-sound is daardoor net zo kaal, schril en overstuurd als in de jaren negentig. Het titelnummer biedt nogal fantasieloze elektronische hardrock, ‘Ibiza’ heeft een clichématig breakbeat-ritme, en ‘Destroy’ is grotesk in zijn poging dreigend te klinken. Energiek is The Prodigy nog steeds, maar de kracht van hun muzikale jargon is uitgewerkt. Hun geknars en gebeuk is bekend, het klinkt hooguit nog schriller dan voorheen. Misschien dacht Howlett dat de oude dosis niet voldoende meer was.