Column

Een straat is geen jurk

Een hippe lichtmast raakt snel uit de mode. Als het om ruimtelijke inrichting gaat is eenvoud een deugd, zegt Egbert Schuttert.

illustratie Tjarko van der Pol

Over de inrichting van de openbare ruimte bestaan twee opvattingen. Beide gaan ervan uit dat straten en pleinen er zijn voor mensen, voor transport en verblijf. Bij de eerste opvatting voert een stad of een dorp een vorm van regie, daar moeten ontwerpers zich houden aan regels: men kiest er voor samenhang en voor afstemming. Daar is een straat of een plein deel van een groter geheel. Men ontwerpt straten en pleinen ingetogen. ‘Doe maar gewoon’ vormt er de basis.

Daar waar men de tweede opvatting hanteert, is minder regie. Samenhang vindt men er minder belangrijk. Daar is de ene straat rood en de andere grijs, daar kan een ontwerper zijn ei kwijt.

Is de ene opvatting beter dan de andere? Daar valt over te discussiëren. The man in the street waardeert waarschijnlijk optie twee. Meer afwisseling en variatie, een grappige lichtmast, een afwijkende bank. Die opvatting past in het huidige tijdsbeeld, van trends en van mode. Vandaag een kort jurkje, morgen ripped jeans. Op het Damrak een hippe lichtmast, op het Museumplein een paars bankje. Maar zo’n lichtmast en bankje zijn snel uit de mode. Daarna zitten we er nog jaren mee opgescheept.

Een straat is geen jurk, in een straat zijn kortstondige modes en trends niet gewenst. De openbare ruimte moet lang mee, wel zo’n twintig of dertig jaar, liever nog langer. In Den Haag, waar ik werk, wordt de eerste opvatting gehanteerd: al 25 jaar wordt er in de hele binnenstad dezelfde straatklinker gelegd. Alleen een plein krijgt er iets extra’s, een toevoeging, een afwijkende steen, ingebed in het geheel. Ontwerpers moeten zich er houden aan regels, de vrijheid is er beperkt.

Zo’n visie is niet altijd gemakkelijk, het verkoopt niet zo lekker. ‘Goedenavond dames en heren, we hebben er nog eens over nagedacht, maar we vinden een gewone straat toch het beste voor u.’ Geen prettige boodschap voor een wethouder die wil scoren, voor bewoners die juist in hun straat iets bijzonders wensen. Daarom is de andere optie meer gebruikelijk in ons land.

In de straat waar ik woon, in Amsterdam, zijn de tegels afwijkend, ze liggen er bovendien diagonaal, verderop haaks; in de buurt naast ons liggen in de stoep geen tegels maar klinkers. Rond de Dam hebben alle straten een andere lay-out. Ook de ‘Rode Loper’, het gebied van het station tot de Munt, voegt weer een nieuwe steen toe aan de stad. Zo wordt de openbare ruimte een optelsom van materialen.

Waarom? Voor variatie? Daar zorgen de mensen wel voor. Om verschillen te accentueren? Dat lijkt mij niet nodig, verschillen zijn er al genoeg in een stad: in architectuur, in profiel, in sfeer. Hier staan bomen, daar ligt een gracht.

Voor de eerste opvatting vindt men inspiratie in Italië. In de oude binnensteden liggen straten en pleinen er al eeuwen. Geen mode, geen trends, geen nieuwe bankjes en lichtmasten. Straten en pleinen zijn er tijdloos, zoals het hoort. De openbare ruimte moet, evenals bomen, de inwoners van een stad overleven.