Column

Sluipschutters

Er was met Pasen weer eens een goede reden om het Joods Historisch Museum in Amsterdam te bezoeken: de kleine, maar interessante tentoonstelling over de Amerikaanse schilder R.B. Kitaj (1932-2007). Sandra Smallenburg had me nieuwsgierig gemaakt met haar uitvoerige artikel in deze krant over hem en zijn werk. Kitaj bleek een wel heel bijzonder hoofdstuk te hebben toegevoegd aan de eeuwigdurende strijd tussen de kunstenaar en zijn critici.

Kitaj ging voluit in de tegenaanval toen een aantal Britse kunstcritici in 1994 zijn overzichtstentoonstelling in de Tate Gallery neersabelde. „Een ijdele figuur, nog geen voetnoot waardig in de geschiedenis van de figuratieve kunst”, had een van hen geschreven. Toen Kitajs vrouw twee weken na afloop van de tentoonstelling aan een hersenbloeding overleed, gaf hij de schuld aan zijn critici. Hij schold ze uit en maakte een schilderij – ook te zien in het JHM – waarop hij ze uit de weg ruimde.

Daarna vertrok hij definitief uit Engeland waar hij zich al in de jaren vijftig had gevestigd. Aan de vooravond van zijn vertrek gaf hij een interview aan The Independent waarin hij zei: „Wat ik het meest van Engeland zal missen is Nederland. Ik ben daar nog meer van gaan houden dan van Parijs. Ik ben altijd in Nederland, op maar veertig minuten van Londen.”

Met Nederland bedoelde hij, begrijp ik uit een toelichting, vooral Amsterdam. Hij had zowel interesse in het Van Gogh Museum als in de haven en de Wallen – een veelzijdig man.

De criticus van diezelfde Independent had hem een „verstokte namedropper” genoemd. Een aardig bewijs daarvan ligt in een vitrine van het JHM: de brief die ex-Beatle Paul McCartney hem op 21 juni 1999 schreef. Het was een brief waar Kitaj later in de publiciteit graag mee geurde. Uit de tekst blijkt dat Kitaj deze brief op een slimme manier bij McCartney lospeuterde. Hier volgt de kern, vanwege de authenticiteit in het Engels.

„Dear Kitaj, I was very pleased to get your recent letter, not only because of your kind comments about some of the pictures but more particularly because you remembered my defense of your Tate retrospective. I was horrified at the events that took place at that time, and it only served to confirm my opinion that critics can often act in a way that borders on the criminal. Throughout history many people have suffered at the hands of these ‘thugs’, as you call them, who I am sure are mostly jealous people who lack the skills to become great themselves and prefer to resort to the tactics of the sniper. I am very pleased to hear that my comments were of some help to you.”

Wat opvalt is de onversneden haat die McCartney hier zelf voor de kunstcritici toont. Criminelen! Sluipschutters! Vreemd. Goed, hij is zelf ook weleens aangepakt, maar was de lof voor zijn werk niet duidelijk overheersend? Het sterkt mij in de overtuiging dat de criticus het niet gauw goed doet in de ogen van degenen die hij moet beoordelen.

Ook Kitaj heeft zowel voor als na die Tate-tentoonstelling lovende kritieken gekregen. Hij werd in één adem – ook door hemzelf - genoemd met collega’s als Lucian Freud en David Hockney. Zijn werk werd duur: bijvoorbeeld voor zijn prachtige tekening van zijn vriend Philip Roth – ook in het JHM te zien - moest je bij Christie’s zo’n 60.000 euro betalen.

In 2007 heeft Kitaj zelfmoord gepleegd. De dader heette nu Parkinson.