Ook in Nederland is het Rode Kruis nodig

De komende weken interviewt nrc.next zeven weldoeners. Ruben van Beek verzorgt de zieken: hij is vrijwilliger op de J. Henry Dunant, het vakantieschip van het Rode Kruis.

Foto Lars van den Brink foto Lars van den Brink

Nee, Gorinchem is niet de eerste plek waar mensen aan denken als hij zegt dat hij voor het Rode Kruis werkt, zegt Ruben van Beek. Vaak gaan ze ervan uit dat hij in rampgebieden werkt, ebola bestrijdt in Afrika of zoiets. „Veel mensen kennen het Rode Kruis vooral als de instantie die noodhulp biedt aan slachtoffers van rampen of gewapende conflicten. Maar in Nederland zijn we ook heel actief.”

Het is vrijdagmiddag, 16.30 uur. De J. Henry Dunant is zojuist de Zuid-Hollandse vestingstad binnengevaren. Het schip, waarmee het Nederlandse Rode Kruis sinds 2009 vaartochten organiseert voor mensen die bijzondere zorg nodig hebben, voer de afgelopen zes dagen over de Rijn en maakte stops in Düsseldorf en Keulen. Oorspronkelijk zou de reis via de Noordzee naar de Waddenzee voeren, maar vanwege het ruige weer koos de kapitein voor de binnenwateren.

Aan boord zijn 68 gasten, 12 bemanningsleden en 54 vrijwilligers. Ruben, net afgestudeerd verpleegkundige, is met zijn 21 jaar een van de jongsten, schat hij. „De meeste vrijwilligers zijn in de dertig of veertig, de oudste rond de zeventig.” Hij kwam vorig jaar op het schip terecht via zijn opleiding verpleegkunde, liep er tien weken stage. Het werk trok hem meteen. „Ik wil ooit nog een opleiding tot maritiem officier volgen en de wereld overvaren. Sommige jongens willen piloot worden. Wat zij met vliegtuigen hebben, heb ik met boten.”

Inmiddels is Ruben ‘unithoofd’ van een afdeling (afdeling Rood) en verantwoordelijk voor veertien mensen. Zijn naambordje heeft hij afgedaan. Na een week varen weten de gasten wie hij is.

„Zullen we even een rustig plekje opzoeken?” Soepel beweegt hij zich met een dienblad met koffie tussen de elektrische rolstoelen door naar een vergaderkamertje in de buik van het schip. Je zou het niet zeggen, maar hij heeft er een 80-urige werkweek opzitten. „Ik ben kapot”, zegt hij als hij zich in een van de grote houten stoelen heeft geïnstalleerd. „Ik kan je vertellen: als ik straks thuiskom, dan ga ik op de bank liggen en ben ik weg. Dan slaap ik het klokje rond.”

Wat doe je eigenlijk?

„Ik ben vrijwilliger en als unithoofd degene die alles organiseert. Deze week stuurde ik een team van vijf vrijwilligers aan. De directe zorg aan bed, dat doe ik niet. Tenzij er extra handen nodig zijn natuurlijk.”

Hij haalt een opgevouwen A4’tje uit zijn broekzak. „Dit is mijn persoonlijke schema, hier staat wie er bij mij op de unit liggen. Mensen die spastisch zijn, of verlamd, hebben bijvoorbeeld ontzettend veel zorg nodig. Die moet je helpen met aankleden, uitkleden, douchen, in en uit bed gaan, eten – met alles eigenlijk.”

Waarom zijn zulke reizen belangrijk?

„Of ze nu jong of oud zijn, ik vind dat mensen die zorg nodig hebben op vakantie moeten kunnen. Ik heb toch ook recht op vakantie? Even uit de sleur, de thuiszorg die iedere dag om 08.00 uur komt. Even… Vrij zijn. Vanochtend heb ik een vrouw een bad gegeven, dat had ze al zeven jaar niet meer gehad. Kun je je dat voorstellen?”

Is het werk anders dan je gewend was uit het ziekenhuis?

„Dit doe je vrijwillig, dat is natuurlijk al een groot verschil. Het is ook een stuk intensiever, de werktijden lopen van 08.00 uur ’s ochtends tot 23.00 uur ’s avonds. Eigenlijk is wat hier op dit schip gebeurt heel uniek ten opzichte van de reguliere zorg.”

Wat bedoel je met uniek?

„Hier is veel aandacht voor de mens. Je vraagt je af: wat wil iemand? En niet: wat is het plan dat is bedacht door een dokter of een verpleegkundige? In de gezondheidszorg heb je twee stromingen: de cure en de care. Cure is gericht op mensen genezen, care is mensen op hun gemak stellen, ze voorzien in hun dagelijkse levensbehoeften. Hier, op het schip, heerst veel meer zo’n care-sfeer. Ieder mens is uniek, vind ik, en daardoor ook elke ziekte. Als je twee mensen met dezelfde ziekte naast elkaar zet, zul je zien dat het totaal verschillend kan zijn hoe ze ermee omgaan. De ene vraagt bij alles hulp, de ander wil het liever zelf doen. Die verschillende vormen van ziektebeleving krijg je hier heel erg mee.”

Kom je weleens voor verrassingen te staan?

„Er gebeurt eigenlijk iedere dag wel iets onverwachts. Het is vakantie, mensen zijn uit hun normale systeem, daarom reageren ze soms anders. Vaak klopt de informatie die op hun formulier staat niet of vergeten ze hun medicatie te nemen. Deze week was er een mevrouw die Frans sprak. Die kan ik niet verstaan, dus daar moet ik dan een oplossing voor vinden.”

Blijf je dit doen, ook als je straks een vaste baan hebt?

„Het liefst wel. Al denk ik dat het lastig wordt: vroeger kregen ziekenhuismedewerkers nog een week vrij om mee te varen, tegenwoordig zijn werkgevers daar niet meer zo scheutig mee. Dat is zonde, want je haalt er zoveel voldoening uit. Aan het begin van de week zie ik vaak dat mensen onwennig zijn, uit hun systeem moeten komen. Maar hoe verder in de week, hoe losser ze worden. De mooiste momenten hier aan boord zijn vaak de kleinste dingen. Iemand die in een elektrische rolstoel zit en met z’n rolstoel gaat ronddraaien, dansen, als de muziek wordt aangezet. De glimlach die je dan ziet, is onbetaalbaar.”

Een volgende reis heeft hij nog niet gepland, zegt Ruben als we even later op het zonnedek staan en uitkijken over het grijze water van de Linge. „Ik ben iemand die leeft met de dag, ik zie wel wat er op mijn pad komt.” Al zou het goed kunnen dat hij er over twee weken gewoon weer bij is. „Misschien word ik straks weer gebeld. Het is maar net of ze me nodig hebben.”