Column

Ongesubsidieerde ontroering

Voor een half-landelijke gemeente heeft Langedijk, even benoorden Alkmaar, veel musea: vijf namelijk – van de monumentale Broekerveiling tot aan de museumwinkeltjes in Noord-Scharwoude. Recentelijk is het er één minder geworden. Regionaal Natuurmuseum Westflinge zag de gemeentelijke subsidie beëindigd en zijn gebouw, het voormalig gemeentehuis van Sint Pancras, in de verkoop gezet. De opgezette beesten zijn verkocht.

Suzan van ’t Hof (79) is niet bang dat zoiets haar museum, Zo was ’t geheten, kan overkomen. Subsidie heeft ze niet, en het pand, waarin haar man vroeger een meubelstoffeerderij bedreef, is haar eigendom. Zo was ’t kampte de laatste jaren wel met afnemend bezoek omdat het moeilijk bereikbaar is. Het ligt in de Dubbelebuurt – één woord – van Broek op Langedijk, een verzameling huizen en bedrijven op twee voormalige eilandjes in dit waterrijke gebied.

De gemeenteplanners hadden weinig consideratie met de historische dorpsstructuur: Dubbelebuurt gaat sinds kort min of meer schuil achter een winkelcentrum met parkeerdak. Maar Van ’t Hof klaagt niet: middels een gloednieuwe straat wordt Dubbelebuurt spoedig weer op de rest van de wereld aangesloten.

En dus neemt zij elke dag met hernieuwd enthousiasme plaats aan de keukentafel in de voorkamer van het museum, om de rondleiding te verzorgen. Zoals de naam aangeeft, beoogt Zo was ’t een beeld te geven van het praktische bestaan in het verleden. De collectie is bescheiden, maar buitengewoon gevarieerd: een kist met turf, een pakje blauwsel, een ‘diggelenkast’ met aardewerk, een bord met de spreuk „Een gulle lach voor iedere dag”, een gas-strijkijzer, een set kaarten van het in onbruik geraakte spel Pang, kinderwagens, wiegjes – te veel om op te noemen.

Bijzonder vind ik de oude foto van een boerenknecht, waarop het zondagse kostuum dat hij vermoedelijk niet bezat in het fotoatelier op het negatief is bijgeschilderd.

Van ’t Hofs hart gaat vooral uit naar de textiele verzameling. Weliswaar kende dit deel van West-Friesland in vroeger tijden niet een onderscheidende klederdracht, maar het is interessant te zien hoe rond pakweg 1880 de vrouwen in deze streek de stedelijke modes van jakjes, onderrokken en hoeden volgden, met een decennium afstand op de stadse mode. Het meest curieus is de verzameling doopjurken, een kledingstuk – zo leer ik – dat in de familie bleef, zodat meerdere generaties in dezelfde jurk aan de Heer werden toevertrouwd. Liefkozend beroert de gids de witte stof.

De objecten die meneer en mevrouw Van ’t Hof in de loop der tijd bijeen hebben gebracht zijn weliswaar oud, maar meestal ook heel gewoon. Het effect op de bezoeker is een soort ontroering die, denk ik, eigen is aan alle historische musea. Het maakt misschien maar weinig verschil of je je nu in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden probeert voor te stellen hoe een gouden ketting stond op een Etruskische vrouwenhals, of dat je bij Zo was ’t bedenkt hoe een West-Friese boerenvrouw ooit de snijbonenmolen bediend heeft.