Column

Daar was hij dan weer

Achttien jaar geleden, hij had beide ogen nog, filmde mijn broer er met een enorme videocamera op los in en rond het ouderlijk huis. Ik was de opnames vergeten, maar toen de vriendin en ik mijn broer dit weekeinde bezochten, kwamen de banden uit een zwarte koffer tevoorschijn.

En zo kwam het dat ik op Eerste Paasdag, het zal geen toeval zijn, mijn vader weer zag en hoorde. Daar was hij dan weer in de 1997-versie en niet direct in een pose waarin ik hem het liefst herinnerde.

In zijn nette pak, de haren in een scheiding, de bril op het puntje van de neus, de das scheef.

Het was Kerstmis.

Hij zat op een stoel, voor de reusachtige kamerplant die over de schrootjesmuur naar het plafond kroop en die inmiddels ook is overleden, een speech te oefenen op mijn moeder die hij een paar dagen later in het Provinciehuis zou uitspreken.

„Laten we het maatschappelijk nut van het waterschap vooral niet onderschatten…”

Mijn moeder was bezig in de keuken, we hoorden althans de hele tijd het gerammel van pannen.

Mijn vader was geen groot spreker.

„Dit is nog niet goed, denk ik”, zei hij na een slaapverwekkend betoog van een kwartier tegen mijn broer die alles filmde. „Het moet wat meeslepender.”

De opnames werden ruw onderbroken.

Daarna zag ik mijn moeder roerend in een pan ragout, blauwgeruit schort om haar middel, sigaret in haar andere hand. Ze rookte nog, Stuyvesant Rood met filter herinner ik me, pas drie jaar later, na haar hartaanval, zou ze stoppen.

Mijn broer filmde nu niet meer, ik zag hem tenminste ook in beeld, zeker twintig kilo zwaarder dan nu. De filmer zoomde in op de ragout waar mijn moeder met een houten lepel doorheen kamde.

Daarna mijn stem, geaffecteerder dan nu, ‘bekakt’ zou de vriendin later zeggen: „Kom ik een keer thuis, krijg ik dit.”

Het gebrek aan decorum.

Het boerenbontservies, de ragout die we met lepels uit het bladerdeeg hakten, mijn moeder die maar bleef vragen of dat filmen nu bijna voorbij was.

Mijn vader die vroeg wat ik van zijn speech vond.

„Saai”, hoorde ik mezelf zeggen.

Ik zag de angst in zijn ogen en hoorde mijn moeder liegen dat zij het wel heel goed vond.

Ik snakte nu dan toch wel naar een vriendelijk woord van mezelf, maar dat kwam niet.

Grijze sneeuw.

Daarna beelden van mijn zus, liggend in een weiland op Texel. Ik denk dat ze allemaal blij waren dat ik die vakantie niet mee was.