‘Jeugdwet biedt kinderen onvoldoende privacy’

Ouders vrezen voor labeling kind en staken behandeling.

De privacy van kinderen is in de Jeugdwet onvoldoende geborgd. Dat zeggen beroepsverenigingen van psychologen en pedagogen, alsmede het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP). Het is mogelijk dat gemeenteambtenaren zien aan welke aandoening een kind lijdt, bijvoorbeeld of het een depressie heeft. Daarom zien ouders soms af van de behandeling van hun kind.

Het probleem schuilt in de financiële afhandeling. Sinds 1 januari moeten psychologen en pedagogen de rekeningen voor hun behandelsessies niet meer indienen bij de zorgverzekeraar, maar bij de gemeenten. Op die rekeningen staat privacygevoelige informatie, zoals naam en adres van het kind. Dat was vóór 2015 ook al zo: de betaler van de jeugdzorg heeft zulke privégegevens nodig om hun uitgaven bij te houden. Wat zich, volgens het CBP en de beroepsverenigingen, wreekt is dit: sinds 1 januari, toen de Jeugdwet inging, is niet langer duidelijk welke privégegevens en behandelinformatie wel en welke niet op de rekening mogen staan.

En dus bepalen de 393 gemeenten dat nu zelf. Sommige gemeenten willen rekeningen pas vergoeden als niet alleen de naam en het adres van het kind is vermeld, maar ook de aandoening waarvoor het wordt behandeld. Piet de Vries (7): behandeld voor adhd. Anna Jansen (12): depressie.

Dat soort eisen van gemeenten „brengen behandelaars en hun cliënten in een lastig parket”, zegt klinisch psycholoog Manja Bosch, voorzitter van de ggz-sectie van het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP). Want het verstrekken van privégegevens aan gemeenten vergt toestemming van de cliënt – of diens ouders. En sommige ouders zijn „huiverig” om de gemeente te informeren over wat hun kind mankeert. Wie komt dat allemaal te weten, vragen ze zich af. En hoe lang blijven die gegevens bewaard?

„De grootste vrees”, zegt de woordvoerder van het NIP, „is dat het kind een label krijgt dat andere partijen, zoals de school, onder ogen krijgen: ‘Het kind met een angststoornis’. Terwijl een angststoornis na een goede behandeling over kan zijn.”

Hoe gegrond die vrees van ouders is, is onduidelijk. Feit is dat onder andere het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) meermaals zijn zorgen heeft geuit over de gebrekkige privacywaarborgen bij de decentralisatie van taken als jeugdzorg.

Feit is ook dat er vorig jaar, vóór de decentralisatie, nog een wettelijke uitweg was voor ouders met privacyzorgen. Ze konden kiezen voor een zogeheten ‘opt-out-regeling’. Dat ontsloeg de behandelaar van de plicht om op de rekening de aandoening van het kind te vermelden. De nieuwe Jeugdwet ontbeert zo’n regeling.

Maken ouders bezwaar tegen de gegevensverstrekking, dan is er sinds dit jaar „geen goede oplossing” meer, zegt psycholoog Bosch. „Of we moeten bezorgde ouders overhalen de privégegevens tóch te verstrekken, of we krijgen de rekening niet vergoed.” Het ene druist in tegen het beroepsgeheim. Het andere tegen het eigen financieel belang.

De gevolgen dienen zich al aan. Sommige ouders uit Bosch’ praktijk stellen de behandeling van hun kind uit. Anderen breken een al lopende behandeling af. Weer anderen stellen voor de behandeling dan maar zelf te betalen. Landelijke cijfers ontbreken. Maar het NIP laat weten „een groot aantal vragen, signalen en meldingen” binnen te krijgen van zijn leden (circa 4.000 jeugdpsychologen) over de privacy van de cliënt en het beroepsgeheim.

Het CBP spreekt van een „lacune” in de wet en eist van het kabinet een „specifieke wettelijke bepaling” die duidelijkheid biedt.