Half God, half dwaas en hartstikke maagd

Redacteur Merlijn Kerkhof laat iedere dinsdag zien wat de schoonheid van klassieke muziek is. Vandaag: de geniale sul Anton Bruckner.

Is het relevant om te vermelden dat een componist zijn hele leven maagd is gebleven? Ik kan me voorstellen dat je denkt: wat is dát nou voor een vraag. Natuurlijk is het irrelevant. Wat heeft iemands seksleven (of het uitblijven daarvan) nou te maken met de muziek die hij schrijft, zeker als die muziek niet op tekst is gebaseerd?

Misschien zullen we het toch eens moeten onderzoeken. Want als het over Anton Bruckner gaat, komt het wel erg vaak ter sprake. Bruckner (1824-1896) slaagde er ondanks vele pogingen bij tienermeisjes (nog op z’n zeventigste!) niet in om iemand te vinden die met hem wilde trouwen.

Bruckner was, zo wil de overlevering, een sul. Iemand die opkeek tegen collega’s. Hij adoreerde Richard Wagner, zou zijn oor laten hangen naar vrienden die verbeteringen in zijn partituren suggereerden. Hij werd geboren in het piepkleine Oostenrijkse dorpje Ansfelden, en ook al woonde hij in Linz en Wenen, hij bleef in de ogen van veel tijdgenoten een fanatiek rooms-katholieke provinciaal. Een uitstekende organist die ook componeerde – en wiens composities door conservatieve critici de grond in werden geboord.

Nog altijd valt zijn levensloop voor sommigen maar moeilijk te rijmen met zijn overweldigende oeuvre. Ook voor medecomponist en dirigent Gustav Mahler was Bruckner een raadsel. Die omschreef hem als „Halb ein Gott, halb ein Trottel” (een dwaas). Het stempel halfgod dankt hij aan zijn symfonieën (acht, plus een onvoltooide negende, een afgekeurde en een studiesymfonie), die helemaal niet ‘provinciaal’ of bescheiden zijn. Integendeel. Niet voor niets worden ze vaak met kathedralen vergeleken. Reusachtige bouwwerken zijn het, gelaagd als spekkoek.

Grote kunst – alleen niet gemaakt door iemand die aan het Romantische verwachtingspatroon van een kunstenaar voldeed.

Het zou tot een halve eeuw na zijn dood duren voordat Bruckner écht de erkenning kreeg die hij verdiende. Met dank (en dat is dan weer jammer) aan de nazi’s, die in Bruckner een voornaam vertegenwoordiger van het Duitse volk zagen. Toen de Reichsrundfunk op 1 mei 1945 de dood van Adolf Hitler aankondigde, werd het Adagio uit Bruckners Zevende symfonie gespeeld.

Gelukkig is Bruckners muziek daardoor niet ‘besmet’ geraakt, zoals bijvoorbeeld de muziek van Wagner, die zelf een rabiaat antisemiet en Hitlers lievelingscomponist was. Bruckner is tegenwoordig, hoewel misschien niet makkelijk voor een beginnend luisteraar (neem de tijd!), een naam waarmee je je concertzaal vol krijgt. En dirigenten kunnen ermee laten horen hoe goed ze wel niet zijn.

Heeft-ie toch maar mooi bereikt, als maagd.