Frisse toneelmarathon over Jezus strandt in anekdotiek

Iwan Walhain (l.) als Johannes de Doper enDavid Geysen als Jezus in de toneelmarathon ‘Zie de mens’. Foto Leo van velzen

Geestig en licht, zo begint Zie de mens – het debuut van Arie de Mol als nieuwe artistiek leider van de Haagse toneelgroep De Appel. En dat terwijl De Mol het zich bepaald niet gemakkelijk heeft gemaakt. Zijn eerste marathon is meteen de moeilijkste denkbaar: Zie de mens is het verhaal van opkomst en ondergang van Jezus. De Mol en schrijver Erik-Ward Geerlings vatten dat samen in drie delen, waarbij ze beginnen bij Johannes de Doper, stilstaan bij Jezus’ succes als volksmenner, en eindigen bij de kruisiging. Ze hebben het verhaal van de religieuze connotatie ontdaan, en zoomen in op de volgelingen, op de mens: waarom leggen wij zo graag en gretig ons lot in handen van een Leider? In het eerste deel, over de sekte rond de pathetische Doper (Iwan Walhain), lukt dat veruit het best.

Rond de profeet Johannes heeft zich een kansloos clubje losers geschaard, hopend op geluk of genezing: de arme visser Simon, prostituee Magdalena, Bartolomeüs en diens gestoorde dochter Susanna, hofdame Elisabet en een stinkende Samaritaanse. Johannes neemt ze een voor een mee in een vijvertje op toneel, en Walhain maakt een aanstekelijk komisch nummer van dat zelfgenoegzame ritueel. Spannend is de komst van zijn neef Jezus uit Nazareth (David Geysen). Boos en verward na de dood van zijn vader, ruziet die met Johannes en betwist luidkeels diens gaven. Interessante regiekeuze, deze getroebleerde en licht ontvlambare Jezus. En Geysen speelt hem spannend; soms broedend, dan kolkend en ziedend. Ook de veertig dagen die Jezus vervolgens in de woestijn doorbrengt speelt hij mooi; zijn leed bijna ondraaglijk voor de toeschouwer. Het is een belangrijk, verwarrend moment in de voorstelling: ziet Jezus hier nu het licht, of wordt hij gek? De Mol laat nadrukkelijk beide opties open.

Het gaat hem immers ook niet om Jezus, maar om het groepje dolenden, dat zich na de dood van Johannes onmiddellijk bij hem aansluit. Moeiteloos verruilen zij de ene voor de andere goeroe, en wat zegt dat over hen? Die heldere focus verdwijnt helaas in de volgende twee delen. Dan moet er zoveel worden naverteld – over Jezus’ zegetocht, de groeiende weerstand van Joodse en Romeinse machthebbers, over de intocht in Jeruzalem en het vernielen van de tempel – dat de voorstelling blijft steken in de anekdotiek. En dan wordt de 4,5 uur durende marathon een lange zit.

De Mol en Geerlings hebben vooral kansen laten liggen in de schildering van de afzonderlijke apostelen; zij krijgen als individu te weinig reliëf. En wat is het effect van hun aanbidding op Jezus? Ook die interactie wordt verwaarloosd. Het resultaat is een vaak lekker gespeelde, aanstekelijk gemusiceerde hervertelling van een overbekend verhaal. Zo maakt De Mol geen vlekkeloos, maar toch zeker een beloftevol debuut.