De AIVD legt niets meer uit en heeft geen visie

Een geheime dienst moet de samenleving uitleggen waartoe hij op aarde is, stelt Constant Hijzen.

illustratie Ruben L. Oppenheimer

In een interview ventileerde Kees Jan Dellebeke, oud-medewerker van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, kortweg AIVD, zijn zorgen. Hij signaleert onrust in de geheime dienst, die te kampen heeft met personeelswisselingen, en is kritisch op de manier waarop de leiding daarmee omgaat. Natuurlijk is kritiek op de dienstleiding mogelijk, maar de problematiek omvat meer.

In de kern ontbreekt het aan een helder idee over de toegevoegde waarde van de inlichtingen- en veiligheidsdienst. Politiek, samenleving noch dienstleiding nemen hun besluiten vanuit een integrale visie op het inlichtingenwerk. Vandaar dat het kabinet-Rutte eerst een bezuiniging van 70 miljoen aankondigde om die anderhalf jaar later ongedaan te maken – de komende jaren loopt het budget zelfs verder op. Ook het schrappen van de interne opleiding voor nieuwe medewerkers, op korte termijn vast te billijken, strookt niet met een langetermijnvisie.

Een historische blik leert dat geheime diensten al vanaf het allereerste begin een bijsluiter hadden. Hun bestaan is, sinds de oprichting van de eerste civiele veiligheidsdienst in 1918, nooit onomstreden geweest. Meteen rees er twijfel of de overheid wel in het leven van haar onderdanen mocht wroeten, als die niet van een strafbaar feit werden verdacht. Ook werd getwijfeld aan de noodzaak van een geheime dienst, terwijl in die dagen de revolutionaire dreiging zich toch grotendeels in de openbaarheid manifesteerde. Een politieman hoefde maar met zijn notitieblokje naar een publieke politieke vergadering te gaan om te weten welke plannen de radicale socialisten hadden en hoe de stemming in die kringen was. De oprichters van de veiligheidsdienst hadden dus wat uit te leggen.

Hoewel de Koude Oorlog geheime diensten een bestaansnoodzaak bood, bleef de vraag naar het hoe en wat van het geheime werk de kop opsteken. Voor de in 1949 opgerichte Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) zelf was het weliswaar vanzelfsprekend dat het internationale communisme en diens Nederlandse aanhangers gevaarlijk waren, maar voor ambtenaren, journalisten en parlementariërs riep dat allerlei vragen op: wat gebeurde er precies met die gegevens? Welke criteria gingen er schuil achter ‘extremisme’ en ‘staatsgevaarlijk’ en met welke methodes werkten de diensten precies?

Het zijn basale, maar voor insiders ongemakkelijke vragen. De dienst voelde zich onbegrepen: het was toch vanzelfsprekend dat er gevaren waren waarover inlichtingen verzameld moesten worden? En daarbij: wat wist die gewone burger nou? Op hun beurt vonden politici, ambtenaren, burgers en journalisten de weigerachtigheid openheid van zaken te geven in toenemende mate verdacht. Politiek Den Haag wist dat de BVD neigde zich ‘in zichzelf op te sluiten’. In ambtelijke gremia was de toegevoegde waarde van de dienst niet altijd duidelijk. Sommigen klaagden over het gebrek aan relevantie van de inlichtingen voor hun dagelijkse werk.

Pas aan het eind van de Koude Oorlog, onder BVD-hoofd Arthur Docters van Leeuwen (1989-1995), is op meer systematische wijze nagedacht over de positionering van de veiligheidsdienst in een bredere context. Docters van Leeuwen kwam tot het inzicht dat de BVD in wezen een additionele dienst was: zij ondersteunde andere elementen in het overheidsapparaat bij hun taakuitvoering door ‘activiteiten en ontwikkelingen’ te bestuderen die een ‘ernstig gevaar’ vormden voor de staatsveiligheid en democratische rechtsorde. Op basis van de bevindingen stond de BVD ‘afnemers’ als politie, justitie en Sociale Zaken bij met advies en analyse.

Alleen in de interactie met die buitenwereld kon de veiligheidsdienst dus haar bestaansrecht verdienen. Daarom knoopte Docters van Leeuwen nauwe relaties aan met de departementen en herschikte hij het contact met de samenleving. Directeuren werden naar zaaltjes gestuurd om uit te leggen waar de BVD precies voor was en waarom de activistische groep de ‘Ziedende Bintjes’ BVD-aandacht verdiende. Televisierubrieken mochten in het BVD-gebouw filmen terwijl Docters van Leeuwen in detail over het werk van de dienst verhaalde. Hij remde pas af als hij in de buurt van een staatsgeheim kwam.

Die openheid was niet alleen functioneel, in termen van publieke legitimiteit en politieke steun voor het ministeriële beleid, maar ook wezenlijk voor de positie van de veiligheidsdienst. Vanuit een integrale visie op de toegevoegde waarde van de dienst herijkte Docters van Leeuwen de relatie met de ambtelijke, politieke en maatschappelijke buitenwacht.

Natuurlijk is de ruimte voor zo’n visie de laatste jaren steeds kleiner geworden. Politiek en samenleving houden elkaar in een wurggreep. Journalisten schrijven over misstanden; Tweede Kamerleden veronderstellen dat zij hun vertegenwoordigende taak het best uitvoeren door luidkeelse ontzetting te ventileren. Bijna dagelijks speelt het circus van mediamoment, Kamervraag en een zich verantwoordende minister zich opnieuw af. In de strijd om de beeldvorming moet de dienstleiding brandjes blussen. De meer wezenlijke vragen komen misschien wel intern aan de orde, maar worden weggedrukt door de waan van de dag.

Dat neemt niet weg dat een visie absoluut noodzakelijk is. Daarover moet intern en extern voortdurend worden gepraat. Waarvoor is een veiligheidsdienst in deze tijd? Schuilt het wezen ervan in bijzondere inlichtingenmiddelen als telefoontaps en agentenoperaties? Of is de AIVD een additionele, analytische, adviserende dienst?

Minister en dienstleiding zouden zo’n verhaal stelselmatig moeten uitdragen, input vragen, de buitenwacht erin meenemen. Kamerleden, journalisten en burgers moeten zo’n verhaal vervolgens wel de ruimte gunnen. Kritisch meekijken en het verhaal bekritiseren, aanpassen. Alleen dan kan een geheime dienst echt van toegevoegde waarde zijn.