1 tot 1,5 miljoen mensen over de kling jagen is geen ‘kwestie’, maar genocide

De Armeense genocide is dinsdagmiddag onderwerp van vier moties. Kamerleden moeten de regering verbieden het Turkse eufemisme ‘Armeense kwestie’ nog langer in de mond te nemen. In Nederland wonen 25.000 Armeniërs en 20.000 Arameeërs voor wie deze misdaad een even grote realiteit is als de Holocaust voor de Joodse Nederlanders, betoogt mensenrechtenactivist Aziz Beth Aho.

De genocide begon in april 1915 en kostte aan 1 tot 1,5 miljoen Armeniërs, Arameeërs en Ponto-Grieken het leven. Eerst werden de intellectuelen en leiders opgepakt, de mannen ontwapend, opgepakt en vermoord. De vrouwen en kinderen stierven in verschrikkelijke marsen richting de Syrische woestijn, na verkrachtingen. De meest onbeschrijflijke moordpartijen werden aangericht door Ottomaanse troepen.

Op woensdag 1 april vond in de plenaire zaal van de Tweede Kamer een heftig debat plaats over twee woordjes. De woordjes ,,kwestie van”. Twee heel beladen woordjes, omdat ze het verschil aangeven tussen het al dan niet erkennen van de massamoord, die deze maand honderd jaar geleden begon, op de Armeense, Aramese en Ponto-Griekse christenen in het toenmalige Ottomaanse Rijk als genocide.

Genocidewetenschappers en talrijke regeringen in de hele wereld spreken van de ‘Armeense Genocide’; de regering van Turkije noemt het de ‘Armeense Kwestie’ en de Nederlandse regering tracht een middenweg te bewandelen door te spreken van de ‘kwestie van de Armeense genocide’.

De basis voor deze discussie ligt in de eind 2004 Kamerbreed aangenomen motie-Rouvoet waarin de regering wordt verzocht ‘om binnen het kader van deze dialoog met Turkije [over de toetreding tot de EU] voortdurend en nadrukkelijk de erkenning van de Armeense genocide aan de orde te stellen’. De Kamer heeft, met het aannemen van deze motie, de Armeense genocide als zodanig erkend.

Wat de regering de afgelopen tien jaar met deze motie heeft gedaan, is onduidelijk. Maar het feit dat de regering slechts op ambassadeursniveau bij de herdenking in de Armeense hoofdstad Jerevan aanwezig zal zijn, nog steeds niet heeft besloten of ze aanwezig zal zijn bij de herdenking in Nederland en in eerdere brieven over dit onderwerp zelfs de Turkse terminologie ‘Armeense kwestie’ overnam, geeft te denken. Een dialoog hoort twee kanten op te gaan, maar dat de Nederlandse regering zich in de dialoog van de Turkse visie zou laten overtuigen is nooit de bedoeling van de motie-Rouvoet geweest.

In het Kamerdebat van 1 april stelden minister Koenders van Buitenlandse Zaken en VVD-woordvoerder Han ten Broeke dat de term ‘kwestie van de Armeense genocide’ was gekozen om de zaak bij de Turkse regering niet op de spits te drijven. Als je in die dialoog al meteen over de Armeense Genocide begint zonder ruimte te laten voor het feit dat het bij de andere partij ‘een kwestie’ is, loop je het risico dat bij die ander onmiddellijk de luiken dichtgaan en is geen ruimte meer voor een dialoog. Uiteindelijk, zo stelde Ten Broeke, gaat het er toch om dat de Turkse overheid de Armeense Genocide erkent en niet of de Nederlandse dat ook doet.

Dat laatste is echter een misvatting. Natuurlijk gaat het om erkenning door de Turkse overheid, maar ook erkenning door de Nederlandse regering is van belang. In Nederland wonen 25.000 Armeniërs en 20.000 Arameeërs voor wie de genocide van 100 jaar een even grote realiteit is als de Holocaust van de Joodse Nederlanders. Daarnaast wonen in Nederland zo’n 400.000 mensen van Turkse afkomst. Net als in Turkije zelf erkent een deel van hen volmondig dat 100 jaar geleden een genocide is gepleegd. Een ander deel volgt de Turkse overheid in een glasharde ontkenning van dit feit en een grote middengroep zegt het domweg niet te weten omdat ze er noch in Turkije, noch in Nederland over zijn onderwezen.

Bij de onthulling van het Armeense Genocide Monument in Almelo, op 24 april 2014, kwam het, vijf weken later, tot een massale tegendemonstratie van Turkse nationalisten die daarin, naar verluid, door vertegenwoordigers van de Turkse overheid in Nederland werden ondersteund. Voor Provinciale Staten van Overijssel vormde dit de aanleiding tot de aanname van een motie waarin de provincie Overijssel de Armeense genocide erkende.

In de aanloop op de 100-jarige herdenking, eind deze maand, zijn diverse voorlichtings- en dialoogactiviteiten gestart zoals de gewaardeerde documentaire ‘Bloedbroeders’ van Sinan Can en Ara Halici. Dit soort initiatieven hebben er baat bij dat de Armeense Genocide ook voor de Nederlandse regering een historisch vaststaand feit is en geen ‘kwestie’ waarover nog te discussiëren valt.

De Nederlandse regering is de regering van alle Nederlanders. Ook van Armeense, Aramese en Turkse Nederlanders. Juist naar hen heeft de Nederlandse regering een verantwoordelijkheid om geen misverstand te laten bestaan over de Armeense genocide als historisch feit. Daarom roepen we de Nederlandse regering op om het niet langer te hebben over ‘de kwestie van de Armeense genocide’, op regeringsniveau aanwezig te zijn bij de herdenking in Jerevan én bij die in Almelo.