Zoek de taart

In de beste zoekboeken zit ook nog een verhaal. Thomas de Veen zoekt de perfecte combinatie.

Uit: Waar is de taart? van Thé Tjong-Khing

Er is altijd wel ergens een tuinkabouter te vinden. Hangend over de reling van een containerschip, verscholen achter het venster van de veerboot, onder de veranda van een strandhuisje, of…eh. Tja. Verdorie. Zoek.

Het ging net zo lekker, mijn speurtocht door Nederland van Charlotte Dematons. In het tekstloze prentenboek verbeeldt zij alle Nederlandse provincies en folkloristische gebruiken, maar ze maakt er ook een fantastisch zoekboek van, met op elke tekening een aantal vaste elementen. Elke keer vind je onder meer een kampeerbusje, een reiger, een gele ballon (een knipoog naar De gele ballon, een zoekboek van haar hand dat inmiddels een klassieker is) en die tuinkabouter dus.

Waar op deze bladzijde houdt die tuinkabouter zich schuil? Ah, natuurlijk… Op de plaat met de Waddeneilanden zocht ik hem naast de viskraam en tussen de wadlopers, maar hij staat gewoon in de tuin.

Dat doet zo’n zoekboek dus met je: je vergeet logisch te denken. En je wordt er een klein beetje manisch van, waardoor je er langer zoet mee bent dan je lief is. Zo bracht ik eerder in mijn leven al lange middagen door in de getekende steden van Richard Scarry en tussen de mensenmassa’s van tekenaar Martin Handford, zoekend naar Wally, het wandelaartje met zijn rood-wit gestreepte trui.

Het genre is gestoeld op een eenvoudig principe: in de grote chaos van de tekening zijn er vaste elementen verstopt die telkens gevonden moeten worden. Het moet een beetje moeilijk zijn: de serie Waar is het stokstaartje? van Paul Moran is vooral leuk voor beginners, want stokstaartjes vallen in een mensenmassa behoorlijk op. Voor gevorderden hebben de stokstaartboeken wel lijsten met wisselende elementen per pagina, maar dan nog is het meisje met de grote knuffelbeer gauw gevonden. Leuker is als je telkens naar meerdere terugkerende elementen op zoek kunt.

Een ander genre is dat van de ‘kijkboeken’, waarin bijvoorbeeld Tom Schamp een meester is. Hij is de moderne en eigenzinnige Richard Scarry, met zijn stadsgezichten vol antropomorfe dieren en tientallen verborgen grapjes. In een kijkboek vind je wat je juist niet zocht. Dus je hoeft niet op iedere plaat in Schamps nieuwste boek Otto groot Otto klein op zoek naar de giraffe. (Voor wie het niet kan laten: op één tekening ontbreekt die. Echt.)

Compleetheid is een van de absolute eisen aan zoekboeken – de tuinkabouter móet vindbaar zijn. Om die reden mag bijvoorbeeld Jan von Hollebens Het zoekboek van Koen eigenlijk die titel niet dragen. Het is een vreselijk leuk boek, dat wel: Von Holleben bouwde zoekplaten op uit bewerkte foto’s van kinderen. Die zijn plat liggend van boven gefotografeerd, maar nemen lichaamshoudingen aan alsof ze de zwaartekracht tarten. Koen achtervolgt intussen de boef die het geld van zijn oma heeft gestolen – acht figuren kunnen telkens gelokaliseerd worden. Maar wel slechts op de helft van de platen, op de andere helft ligt het verhaal stil, en dient er slechts genoeglijk gekeken te worden.

De beste zoekboeken laten geen elementje ontbreken – en gaan een stap verder. In de beste zoekboeken vertellen al die elementen ook elk hun eigen verborgen verhaal. Een beetje zoals in Waar is de taart? van Thé Tjong-Khing: daarin lopen door het hele boek minstens tien verhaallijntjes door elkaar. Twee kikkers spelen onvoorzichtig met een voetbal, de familie varken gaat uit picknicken en twee muizen zijn er met de taart vandoor, enzovoorts. Zo kun je telkens je eigen verhaal volgen – het gaat niet om het vinden, maar om het volgen.

Alleen: het vinden is in Waar is de taart? een koud kunstje. Thé maakte geen volgepakte steden, maar weidse landschappen waarin zijn hoofdrolspelers als enigen onrust veroorzaken. Verder zijn de tekeningen leeg. Daarin ligt dus nog een uitdaging voor een toekomstige zoekboekenmaker: mooie, volle, moeilijke zoekplaten met echte verhaallijnen. Wie helpt mij dat boek te vinden?