Zestig koffie-bonen

Elsbeth Etty grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft haar eerste indruk.

Wie na de Virginia Woolf-biografie van Hermione Lee uit 1996 nog iets wil toevoegen aan de interpretatie van leven en werk van dit schrijversgenie, moet van goeden huize komen. Alexandra Harris (1981), docent Engelse letterkunde aan de Universiteit van Liverpool, durfde het aan. Ze schreef de compacte, uiterst leesbare biografie Virgina Woolf. Een schrijversleven [1]. Haar boek leunt weliswaar zwaar op Lee’s meesterwerk, maar getuigt desondanks van een authentieke passie voor ‘Shakespeare’s zuster’. Alle bekende verhalen over Woolf passeren de revue: haar vriendschappen met de Bloomsbury-groep, haar huwelijk, haar lesbische liefdes, en de geestesziekte die haar in 1942 tot zelfmoord dreef. Toch weet Harris de nadruk te leggen op Woolfs betekenis als vernieuwer van de literatuur, vergelijkbaar met James Joyce (door Woolf een ‘onaangenaam studentje dat aan zijn puisten krabt’ genoemd). Dankzij Harris wil je de baanbrekende romans, essays, brieven en dagboeken van Woolf (her)lezen, wat het grootste compliment is dat een biograaf kan krijgen.

Hoe bekende kunstenaars, schrijvers, filmmakers en andere creatievelingen werken, zo luidt de veelbelovende ondertitel van Dagelijkse rituelen [2] van de Amerikaan Mason Currey. Het is een boek dat je met plezier ter hand neemt, niet zozeer in de hoop het raadsel van de creatieve geest op te lossen, als wel in de verwachting van krankzinnige anekdotes. Die zijn wel te vinden in deze 150 miniaturen over de routines van kunstenaars, zoals de mededeling dat Beethoven voor zijn dagelijkse kop koffie precies zestig koffiebonen aftelde. Maar het boek gaat snel vervelen en is hoogstens handig als naslagwerk. De beuzelarijen en treuzelarijen, het wachten op inspiratie en mentale energie, de eet-, slaap- en drinkgewoontes van die vreemde snuiters: het vermakelijke is er snel af. De een is gedisciplineerd, houdt van regelmaat, orde en reinheid. De ander laadt zich barstensvol alcohol of drugs in de hoop het creatieve proces op gang te brengen, weer een ander doet zijn genialiteit ontbranden door in onderbroek in een kelder te gaan zitten. In de vertaling zijn een paar Nederlandse gevallen toegevoegd, onder wie merkwaardig genoeg ook Albert Heijn: ‘Albert Heijn was een man die weinig had met rituelen [...] Omdat bijzondere mensen geen poespas nodig hebben.’

De discussie tussen twee bekende Duitse denkers, filosoof Peter Sloterdijk en cultuurhistoricus Thomas Macho op het thema God, geest, geld [3] is actueel, omdat zij vragen stellen over de geestelijke consequenties van de monetaire en economische crises. Het gesprek raakt zoveel onderwerpen (het vertrouwen in God en het vertrouwen of toenemend wantrouwen in geld, de wederopleving van het religieuze in ‘de moderne apocalyptiek en het oprukkend islamisme’, het kapitalisme als religie), dat het alle kanten opschiet. Dat komt de helderheid niet ten goede. Macho legt een verband tussen het schuldenvraagstuk en de christelijke hoop op verlossing door middel van schuld. De crisis leidt zodoende tot een nieuwe, hoopvolle vorm van religiositeit. Sloterdijk daarentegen noemt de transformatie van de op vertrouwen gebaseerde economie in een door het speculatieve kapitaal beheerste economie ‘een deel van het drama dat wij vandaag meemaken’. Marx schreef: ‘Het geld is de werkelijke geest van alle dingen’, het is ‘de zichtbare godheid’ en de universele hoer. Daarop borduren Sloterdijk en Macho voort.

Nergens komen geld en geest intussen zo zichtbaar samen als in het museum. Frits Duparc, zeventien jaar directeur van het Mauritshuis in Den Haag, geeft in Uit de doeken [4] een beeld van wat er allemaal gepaard gaat met de collectievorming en het verwervingsbeleid van een topmuseum. Het opbouwen van fondsen is zo’n belangrijk onderdeel van het museumbeleid, dat behalve de kunsthandel en de contacten met verzamelaars en kunsthistorici ook de (positieve) rol van figuren uit de financiële wereld aan bod komt. Aan de hand van zestien topstukken, van Vermeer tot Rembrandt, behandelt Duparc de geschiedenis van de collectie, die nooit afgerond en voltooid is. Soms levert de mislukking van een verwerving van een kunstwerk, bijvoorbeeld van een tijdens de bezetting in Duitse handen gevallen stilleven uit 1609 van Roelant Savery, een schokkend verhaal op. Dit consciëntieus geschreven boek doet volop recht aan de betekenis voor ons cultureel erfgoed van het onlangs na verbouwing heropende Mauritshuis.