Wil jij ook altijd méér? Nu kun je dat wel heel goed meten

Al sinds het begin van de financiële crisis hebben mensen het over de hebzucht van bankiers, terwijl er amper onderzoek naar hebzucht is gedaan. Maar nu is hebzucht zó ‘in’ dat twee wetenschappelijke onderzoeksteams gelijktijdig, en los van elkaar, vergelijkbare vragenlijsten maakten om hebzucht te meten. Waarom nu, en wat weten we van hebzucht?

Twee vergelijkbare onderzoeken, met dezelfde titel

Op 9 februari 2015 publiceerden Tilburgse psychologen een artikel met de titel Dispositional Greed - hebzucht als karaktereigenschap - in het wetenschappelijke tijdschrift Journal of Personality and Social Psychology. In het februarinummer van het wetenschappelijke tijdschrift Personality and Individual Differences, in november al online, verscheen een artikel met precies dezelfde titel, maar dan van Gentse onderzoekers.

Niet alleen hebben de twee artikelen exact dezelfde titel, ze gáán ook over precies hetzelfde. In beide artikelen wordt een vragenlijst ontwikkeld om betrouwbaar vast te stellen hoe hebzuchtig iemand is. Beide groepen noemen hun vragenlijst de ‘Dispositional Greed Scale’. Beide groepen kwamen op het idee door de financiële crisis – door die veelbesproken, maar nooit bewezen hebzucht van bankiers.

‘Ik wil altijd meer’

De onderzoeksgroepen begonnen met aan proefpersonen vragen wat die onder hebzucht verstaan. De Tilburgse psychologen hadden op basis van zo’n vooronderzoek twintig mogelijke hebzucht-items geformuleerd (zoals “Ik wil altijd meer”, 1=helemaal oneens, 5=helemaal eens).

Ze keken welke items goed met elkaar samenhingen (zodat ze wisten dat die dezelfde eigenschap meten) en ze keken op welke items mensen ook na een tijdje nog ruwweg dezelfde antwoorden gaven (zodat duidelijk was dat het om een stabiele eigenschap gaat, niet om een vluchtige stemming). Uiteindelijk hielden ze een hebzucht-vragenlijst van zeven items over, van “Ik wil altijd meer” tot “Ik kan me niet voorstellen dat ik te veel dingen heb”.

De Gentse groep deed in feite hetzelfde, maar begon met 25 items en hanteerde antwoordcategorieën van 1=helemaal oneens tot 7=helemaal eens. Ze kwamen uit op een vragenlijst van zes vergelijkbare items, van “Hoeveel ik ook heb van iets, ik wil altijd meer” tot “Ik ben snel tevreden met wat ik heb”.

Beide groepen controleerden hun vragenlijst door te onderzoeken of de antwoorden genoeg, maar niet te sterk samenhingen met vergelijkbare eigenschappen als materialisme, jaloezie en eigenbelang.

Wat weten we nu over hebzucht?


Behalve wat Gekko al jaren roept.

1. Risico speelt een rol
Beide groepen zijn al verder onderzoek gaan doen met de eigen vragenlijst. Beiden ontdekten dat mensen niet sterker bereid zijn om risico’s te nemen naarmate ze hebzuchtiger zijn – en waren daar verbaasd over. De Tilburgse groep wil nog gaan kijken of het uitmaakt wie het risico draagt: “Die bankiers kregen destijds zelf veel van de winst, maar ze waren niet als enigen de dupe als het misging”, vertelt Terri Seuntjens, eerste auteur van het artikel uit Tilburg.

2. Managers zijn hebzuchtiger dan kappers
Of bankiers nou hebzuchtiger zijn dan andere stervelingen, is nog niet onderzocht. Goedele Krekels, eerste auteur van het artikel uit Gent, toonde wel al aan dat mensen die in management of financiën werken hebzuchtiger zijn dan bijvoorbeeld leerkrachten of kappers. Of mensen hebzuchtig worden van een baan met veel geld, of dat ze zo’n baan kiezen uit hebzucht, is onduidelijk. Wel ontdekte de Gentse groep dat mensen die het in hun kindertijd financieel moeilijker hebben gehad later hebzuchtiger worden.

3. Gevoeliger voor steekpenningen
Tilburg heeft aangetoond dat mensen die hebzuchtig zijn meer immoreel gedrag vertonen; ze accepteren bijvoorbeeld eerder steekpenningen. Hebzuchtige mensen gaan ook dóór met het binnenslepen van – in hun onderzoek – chocola, ook al kunnen ze dat binnen de tijd die ze ervoor krijgen nooit opeten. Die studies zijn ook nog niet gepubliceerd. Seuntjens benadrukt dat ze hebzucht op zich niet goed of slecht vindt.

“Ik denk dat het mensen soms ook kan motiveren om naar goede dingen te streven – ik vermoed dat het gerelateerd is aan ambitie.”

En hoe moet het verder met de twee vragenlijsten?

“Het zou interessant zijn om ze te vergelijken”, zegt Seuntjens. “Te kijken of de ene beter gedrag voorspelt dan de andere.” Het kan zijn dat eentje meer gebruikt gaat worden dan de ander, denken ze allebei. En dat er dus één weer verdwijnt. “Maar misschien kunnen ze naast elkaar bestaan”, zegt Goedele Krekels, eerste auteur van het Gentse onderzoek. “Dat ze zo op elkaar lijken, geeft wel aan dat hebzucht ook echt zo in elkaar zit als we denken.”