Weinig zicht op smokkel roofkunst

Dat er op grote schaal wordt geplunderd in IS-territorium staat vast, maar opsporingsinstanties hebben geen compleet beeld van het verhandelen van oudheden.

Interpol en andere opsporingsinstanties tasten in het duister over de omvang van de handel in roofkunst in door terreurbeweging Islamitische Staat bezet gebied in Syrië en Irak. Dat zegt Marja van Heese, inspecteur bij de Erfgoedinspectie, een Nederlandse dienst die onder meer is belast met onderzoek naar verdachte transporten van cultuurgoederen.

Unesco stelde vorig jaar in een rapport dat de handel in roofkunst en illegaal opgegraven cultuurgoederen net zo lucratief is als die in wapens en drugs. Jaarlijks zou er 7 miljard dollar mee zijn gemoeid. Maar hoe de VN-organisatie voor behoud van cultuur tot die schatting komt, is onduidelijk.

Dat de situatie in Syrië en Irak zorgwekkend is, daarover zijn deskundigen het eens. Uit onderzoek van satellietopnamen door de Universiteit van Pennsylvania is gebleken dat archeologische vindplaatsen in IS-territorium massaal worden geplunderd; de plekken zien er op de foto’s uit als kraters na een bombardement.

Van Heese noemt de situatie „heel alarmerend”. Maar de internationale opsporingsinstanties hebben geen duidelijk beeld van de omvang van het probleem, zegt ze. „We hebben nog onvoldoende zicht en onvoldoende harde cijfers.”

Volgens archeoloog Joris Kila, als erfgoeddeskundige verbonden aan de Universiteit van Wenen, zijn er sterke aanwijzingen dat terreurbeweging IS de schatkist vult met de verkoop van oudheden. Kila: „Het kalifaat int religieuze belasting in de vorm van oudheden. En ze geeft vergunningen uit aan de plaatselijke bevolking om naar oudheden te graven. In ruil daarvoor eist ze een percentage van de opbrengst uit verkoop aan de tussenhandel.”

Die tussenhandel, zegt Kila, is in Turkije en Libanon gevestigd en zou vooral leveren aan rijke verzamelaars in de Golfstaten. Ook zijn er aanwijzingen dat grote hoeveelheden goederen in depots worden opgeslagen, zoals ook gebeurde tijdens de Tweede Golfoorlog (1990-’91).

In het Westen wordt volgens Kila op dit moment weinig roofkunst uit Syrië en Irak aangeboden. Dat zou te maken kunnen hebben met het door Unesco opgestelde Verdrag tegen de illegale handel in erfgoed, dat door vrijwel alle Westerse landen is geratificeerd, in 2009 ook door Nederland. Dat verdrag verplicht handelaren en musea om te onderzoeken of aanwinsten niet gestolen of geheeld zijn, en of ze het land van herkomst op legale wijze hebben verlaten. Als niet kan worden aangetoond dat objecten al voor 1970 zijn verzameld, kunnen ze alleen worden verkocht met een exportvergunning uit het land van herkomst. Kila: „In de Golfstaten en Azië worden die regels minder streng gehanteerd.”

Unesco doet meer om erfgoed te beschermen. Maandag was in Amsterdam de aftrap van een vierweekse, mede door de VN-organisatie georganiseerde opleiding, hoe erfgoed te redden in rampgebieden en bij gewapende conflicten. De cursisten: 22 erfgoedprofessionals uit landen als Syrië, Irak en Afghanistan.