Waarom wij geen God zijn

Alleen door te verbieden en te vernietigen merkt de almachtige dat hij bestaat. En dan nog ziet hij zichzelf niet, ziet hij enkel wat hij vernietigd heeft, constateert P.F. Thomése.

Het duizelingwekkende besef dat alles mogelijk is. Ineens kom je los van de grond, niets houdt je tegen, want je zweeft. Je hebt je begrenzingen achter je gelaten en bent deel van iets groters aan het worden. Het wordt licht in je hoofd, je moet nu niet aan vallen denken. Niet terugkijken, niet terug naar beneden.

Die onwennigheid is niet erg, nooit kwam je zo hoog, nooit reikte je zo ver, het overkomt je voor het eerst, hier ken je de grenzen nog niet. Zijn er wel grenzen of gaat dit eindeloos door? Waar je nu bent, was je nooit tevoren. En het bevalt je, het bevalt je fantastisch.

Je had dit niet kunnen verzinnen. Niet zo. Niet zo echt. Dit is leven, besef je. Dwars door alle grenzen heen, tot niets je meer in de weg staat. Geen grenzen, geen gewicht, niks. Je breidt je naar alle kanten uit, je vult je met de wereld of het niks is. Alles wat je aanraakt, is van jou. Jij gaat op in de wereld en de wereld gaat op in jou, als een zon.

Helaas is dit gevoel, zoals alle gevoel, van beperkte duur. Wie almacht heeft gevoeld, wil het nog een keer voelen. En nog een keer. Tot hij niet meer zonder kan. En dan heeft hij een probleem. Wie eenmaal alles heeft gehad, doet het niet meer voor minder.

Van almacht is nooit iets goeds gekomen. Het is een tiran die niet van ophouden weet. Hoe groter de macht, hoe groter het gevaar. Wie in de ban van de ring geraakt, stort niet alleen zichzelf, maar de hele wereld in het verderf. Almacht is de boze droom die nooit mag uitkomen.

Al sinds de Oude Verhalen is er de vermaning. Zwicht niet voor de verleiding. Aanvaard je beperking. Zodra de held zich van de almacht meester maakt, moet hij zich ervan proberen te ontdoen.

Zie het zwaard Excalibur, zie de Ring der Nibelungen, die op de bodem der diepste wateren geworpen worden, onvindbaar voor renegaten en pretendenten. Laat niemand ervan horen. Want de schitterende almacht blijkt keer op keer een opzichtige vermomming van de dood, het enige waarlijk absolute en definitieve dat wij kennen.

Sluw doet de dodelijke almacht zich telkens beter voor dan hij is. Hij presenteert zich bij voorkeur als de harde, noodzakelijke waarheid. Of als de onweerspreekbare eeuwigheid. En steevast als redder. Dat is zijn lievelingsgedaante. Maar in werkelijkheid is hij enkel uit op het beëindigen van de tijd, die grote relativeerder van het menselijk bedrijf. Almacht is dood, dood is almacht. En verder niets.

De potentaat kan alleen vernietigen, de arme ziel. Verbieden en vernietigen. Hij is het spel niet meester, hij kent enkel de bittere ernst. Het is het oude liedje van alleenheersers en hogepriesters, van Verlossers, Profeten en Führers. Geef ons je leven, dan komt alles goed, al loopt het nog zo slecht af. Het enige wat zij kennen is het einde en de ondergang. Hun oplossingen zijn definitief en onherstelbaar.

En dat zweven dan, die vrijheid? Jezus, wat was dat mooi. Daar is toch niets mis mee, zou je zeggen.

Dat komt, zegt de wijze oude sok, doordat je aan de almacht denkt. Wanneer je hem bezit, zweef je niet meer. Dan voel je hem niet meer, want je voelt de afstand niet meer tussen jou en de grond. Wie de almacht heeft, verliest het verlangen. Maar die blijft dat verlangen wel missen. Dat is het gekke. Het is een verslaving. En wie verslaafd is, blijft verlangen naar de eerste keer. Zoals iemand die rookt onderwijl alvast uitziet naar de volgende sigaret, zo kan de almachtige zijn macht slechts voelen door zich het verlangen ernaar te herinneren. Alleen op afstand word je zijn schitterende verleiding gewaar. Je kunt alleen zweven wanneer je weet wat het is om met beide benen op de grond te staan. Wie alleen het zweven kent, weet niet beter en weet dus op den duur niet meer wat zweven is.

Altijd moet er ook het Andere zijn. Elke god heeft zijn duivel nodig, elke held zijn verrader. Of om dichter bij huis te blijven: elke schrijver krijgt de recensent die hij verdient. Elk begin moet zijn einde vinden. Elk verlangen zijn verbod. Geen keizer zonder Waterloo. Zonder tegenstreving zijn wij niets. Iets krijgt pas waarde door zijn tegendeel. Niets ontkomt aan zijn lot. Er valt pas iets te winnen wanneer er ook iets te verliezen is. Schaf je het Andere af: het onbekende, het onberekenbare, het onbegrijpelijke, dan schaf je het leven af. Dan wordt alles onverschillig en doods en maakt het allemaal geen bal meer uit.

Het volmaakte dankt zijn schoonheid aan zijn onbereikbaarheid. Wij mogen er naar wijzen, wij kunnen haar alleen niet aanraken. Verte scheidt ons van de vervulling. Wat zou dat trouwens voor een waardeloze volmaaktheid zijn, als wij haar zomaar in onze ongewassen klauwen konden nemen? Nee, zonder onbereikbaarheid waren wij nergens.

En toch.

En toch is daar telkens weer die verleiding. Als de zetel van de almacht vacant blijft, en wij ons met onze hele maatschappij in een intercontinentaal vliegtuig bevinden waarvan de cockpit onbemand is, zoals de socioloog Zygmunt Bauman beweert, waarom zouden wij dan niet – al is het maar voor even – aan de stuurknuppel mogen zitten? Als de maatschappij zich als geheel op een suïcidale missie heeft begeven, dan mogen wij toch wel een keer de zelfmoordpiloot uithangen? Als wij dan toch ten onder gaan, waarom zouden we onze val dan aan anderen overlaten? De zelfmoordpiloot is de volmaakte metafoor. Hij is de kleine selfmade almachtige van onze tijd. De eigengereide tegenstrever die ons niet rechtsom maar linksom de dood injaagt in deze apocalyptische wereld.

Hoe onmachtiger wij ons voelen in deze wereld, des te nastrevenswaardiger dergelijke kleine dagelijkse almacht wordt. Het terrorisme is almacht voor het groeiende leger talentlozen en have-nots die onze maatschappij produceert. Het is het kleine beetje almacht waaraan de buitengeslotene genoeg heeft om zich aan te laven. Het is bereikbare almacht voor iedereen.

De helden van voorheen hebben gemakkelijk praten met hun heroïsche abstinentie van de wereldmacht. Zij hadden ook zonder Ring en zonder Excalibur hun rol en betekenis, in een hiërarchische orde die lijnrecht naar de hemel leidde. Maar in een egalitaire maatschappij waar niemand iets voorstelt, lijken radicale oplossingen de enige te zijn die het verschil kunnen maken. Hoe moet iemand die zichzelf niet ziet, het Andere zien? Als hij zich al iets bij het andere voorstelt, is het de totale vernietiging van het hier en nu.

Ik begrijp dat wel, ik ken de ander die ik óók ben.

Het begoochelende gevoel als iets in jouw handen ligt. Ieder kind weet hoe moeilijk het is om iets wat in jouw handen ligt niet kapot te maken. Knijpen, knijpen, tot het knakt. Gewoon omdat het kan. Each man kills the thing he loves. Daar is nu eenmaal niets tegen te doen. Doorgaan tot het kapot gaat.

Tenzij iets of iemand je weerhoudt. Beschaving is het afstand doen van almacht. Het begint met de erkenning van de ander. Een ander worden, daar begint elke opvoeding mee. En elke opvoeding is een initiatie. De inwijding van de ander die je gaat zijn. In de literatuur wordt die rol vervuld door het personage. Het personage is de ander die je zelf bent. En tegelijk is het de ik die je niet bent. Je bent het en je bent het niet. In die ambiguïteit wordt het mogelijk met jezelf om te gaan. Stel dat je helemaal jezelf bent en niet anders dan dat. Dan kun je jezelf niet zien. Dan kun je jezelf ook nooit leren kennen.

Dat is de makke van de almachtige: hij ziet zichzelf niet. Pas als hij ergens tegenaan botst, ontdekt hij zijn begrenzing. Een almachtige gaat net zolang door totdat hij op zijn grenzen stuit. Alleen door te verbieden en te vernietigen merkt hij dat hij bestaat. En dan nog ziet hij zichzelf niet, ziet hij enkel wat hij vernietigd heeft.

Vandaar dat God, de almachtigste der almachtigen, zich uit de wereld heeft teruggetrokken. Want wie almachtig is, vernietigt uiteindelijk zichzelf.

God liever dan ik.

Zo ploeteren wij voort. Onmacht is ons lot, falen is ons loon – en onderwijl dromen wij stukje bij beetje ons leven bij elkaar.