Tonijnsalade

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week een fragment uit de debuutroman van Martine de Jong, De mannen van Raan.

De week daarop ging voorbij zonder dat ik het meisje of het bevroren slot zag. Haar fiets zag ik ook niet meer. Alle sneeuw was weggeregend. Elke dag zocht ik zo veel mogelijk de openbare ruimtes van het pand op. Zodra mijn werk het toeliet liep ik de trappen op en af tot ik moest hijgen van de inspanning en surfte dan op mijn telefoon naar de website van haar bedrijf. Ze stond nog steeds niet op de ‘Over ons’-pagina. Als ik haar collega was geweest had ik haar er allang bij geprogrammeerd.

Soms stapte ik expres een verdieping eerder uit de lift en wachtte dan net zolang tot de lift nieuwe mensen van beneden had opgehaald. Als de liftdeuren voor mijn neus openden hoopte ik dat ze erin zou staan, met rode wangen van de kou. Met schilferige lippen in de vorm van een poppenmond en met een tas die eruitzag als een taartje. In het allerbeste geval zouden haar haren nat zijn van de regen. Het waren de spannendste momenten van de dag. Ze stond nooit in de lift.

Ik begon er inmiddels aan te twijfelen of ze wel echt bestond, wat een heel kinderachtige gedachte was, want natuurlijk bestond ze. Alle alternatieven waren afschuwelijk: misschien was ze alweer ontslagen. Of nog erger: misschien ontliep ze mij, verstopte ze zich onder de trap als ze me hoorde naderen, parkeerde ze haar fiets een straat verderop zodat ik zou gaan denken dat ze er niet meer was. Misschien was ze sociaal net zo onhandig als ik.

De maandag erop was ze er opeens weer. Ze stapte net voor mij de grote voordeur binnen.

‘Hoi,’ zei ik.

Ze draaide zich om.

‘Hé,’ zei ze, en keek me vrolijk aan.

Ik probeerde iets te verzinnen om te zeggen maar werd afgeleid door de stipjes op haar neus. Haar sproetjes leken getekend. Het waren er negentien.

‘Je bent er weer,’ zei ik.

Ze lachte.

‘Ja,’ zei ze, ‘ik ben er weer, ik ben er al een week hoor.’

‘Maar ik zag je niet.’

‘Nee, je zag me niet. Ik zag jou ook niet.’

Ik haalde opgelucht adem. Ze had zich niet verstopt.

‘Hoe was je eerste week?’ vroeg ik terwijl we op de lift wachtten.

‘Pff, raar.’

‘Raar?’

‘En vermoeiend,’ voegde ze eraan toe.

‘Maar vind je het wel leuk?’

‘Jawel,’ zei ze, en ze keek van dichtbij naar haar eigen gezicht in de spiegel tegen de achterwand. Haar adem maakte een vlek. Met haar wijsvinger zette ze twee stippen naast elkaar. Vanaf waar ik stond leek ze nu een varkensneus te hebben.

‘Ik moet nog wennen aan hard werken denk ik.’

‘Hard werken. Dat is vermoeiend,’ zei ik.

Ze veegde een wimper van haar wang en draaide zich weer naar me toe. ‘Deze lift is zo langzaam dat je niet eens kunt voelen of je beweegt,’ zei ze.

‘Ja, hij is traag.’

‘Misschien gaan we nu wel naar beneden in plaats van naar boven. Misschien gaan we wel opzij.’

Alle kleuren groen in haar ogen keken me aan. Ik dacht na over hoe de lift opzij zou gaan. Hoe de deuren straks zouden openen en we vanaf de overkant van de gracht naar onze voordeur zouden staan kijken. Ik rilde.

‘Zullen we samen wat gaan eten straks?’ vroeg ze.

‘Graag,’ zei ik.

Ik had het moeten voorstellen. Niet zij. De optie was nog niet eens bij me opgekomen. Ik wilde heel graag samen met haar wat gaan eten.

‘Ik wil heel graag wat met je eten,’ zei ik voor de zekerheid.

Ze lachte hardop.

‘Heb je honger of zo,’ zei ze, terwijl ze de lift uitstapte.

Ik keek weer naar haar mond.

‘Ja,’ zei ik, ‘ik heb nu al trek.’

‘Zullen we om half een afspreken beneden?’

‘Half een, goed. Tot straks,’ zei ik. Ik keek hoe ze voor de tweede keer bij me vandaan liep.

Het lukte niet me op mijn werk te concentreren. De regels code brandden zich in mijn netvlies en trokken strepen zodra ik knipperde. Ik zette mijn scherm extra licht zodat ik niet steeds werd afgeleid door mijn gezicht, dat me in de reflectie aanstaarde. In gedachten plande ik de hele middag. We zouden gaan eten. Er waren nog zoveel dingen die we daarna konden gaan doen. Ik zocht alvast op welke films er in de bioscoop draaiden en bekeek alle trailers. Ik vroeg de middag vrij. Ik kreeg de middag vrij. Alles liep gesmeerd.

Het was precies half een toen ik naar beneden ging. Op de laatste trap hoorde ik hoe ze over het weer stond te praten met de receptioniste. Ik haalde een laatste keer diep adem en stapte binnen het bereik van haar zintuigen.

‘Hé,’ zei ik, ‘hier ben ik.’

‘Hier ben je,’ zei ze en opende de deur. ‘Laten we gaan.’

We stapten naar buiten. Het weer was opgeklaard. Ik kneep mijn ogen dicht tegen de felle zon. Ik was mijn zonnebril vergeten.

‘Waar zullen we gaan eten?’ vroeg ik.

‘Kom maar mee,’ zei ze, en liep vastbesloten een kant op.

Bij een broodjeszaak ging ze naar binnen.

‘Ik ben zo terug.’

Ik ging op een bankje zitten in de schaduw van een boom en keek naar een eendenpaar dat bijna onder een rondvaartboot verdween. Een oude man liep naar de kade toe en begon boterhammen in het water te gooien. Ik overwoog hem te zeggen dat hij dat niet moest doen. Dat dat de woerden lui en verveeld maakte. Dat ze hun vrouwen daardoor gingen verkrachten, maar op de een of andere manier had ik niet zo’n zin in een gesprek met een bejaarde man over gedwongen seks.

De eenden hadden moeite met de hele boterhammen. De man was zelf te lui om ze in stukjes te scheuren en ik vroeg me af wie er bij hem het eten naar binnen gooide.

Ze was weer terug.

‘Ik heet Raan,’ zei ze en ging naast me zitten.

Ik keek haar aan terwijl ze pakketjes uit een plastic tas viste. Ze gaf me brood. Ik keek weer naar de woerden.

‘Ik hoop dat je tonijnsalade lust,’ zei ze.

‘Ik heet Per,’ zei ik.

‘Per? Per wat. Per Ongeluk.’

‘Nee,’ zuchtte ik, ‘ik heet geen Per Ongeluk, want ik ben voor het geluk geboren. Dat zegt mijn moeder altijd. Dat zeggen waarschijnlijk alle moeders, of dat zouden ze moeten zeggen, ongeacht hoe hun kinderen heten. Gelukkig bestaat er niet zoiets als geluk.’

Ik was aan het ratelen.

‘Hoezo bestaat dat niet, Per?’

‘Het is allemaal kansberekening. Als je al iets meemaakt wat onder “geluk” zou kunnen vallen, dan maak je dat nog veel vaker niet mee dan wel.’

‘Ja, dus?’

‘Dat heeft niet veel met geluk te maken, iets wat je bijna nooit gebeurt.’

‘Ben je altijd zo?’ vroeg ze.

‘Hoe?’

‘Zo, zo ingewikkeld.’

‘Ik denk het wel.’

‘Je denkt het wel.’

‘Ik vind de vraag ingewikkeld.’

‘Noem je mij nu ingewikkeld?’

‘Ik denk het wel.’

‘Je denkt te veel.’

‘Dat is iets wat ik zeker weet.’

‘Gelukkig maar,’ besloot ze.

Nadat we de broodjes hadden opgegeten keken we nog wat naar het water.

‘Ik moet weer terug,’ zei ze.

Ik keek op mijn telefoon hoe laat het was. We waren een half uur weggeweest.

‘Oké,’ zei ik en liep met haar mee.

‘Ik vond het leuk,’ zei ik toen we in de lift naar boven stonden. Ik kon ook maar beter weer gaan werken.

‘Ik ook, Per,’ zei ze.

Ik hoorde haar door haar neus inademen en keek via de spiegel naar haar gezicht. In spiegelbeeld was ze nog knapper.

Even later zat ik weer naar de code op mijn scherm te staren en dacht aan Raan. Ik was verliefd.