Romeins Heerlen: ouder en groter dan Maastricht

Het Romeinse badhuis in Heerlen is uniek in Nederland. De opgravingen begonnen rommelig en de eerste bevindingen raakten vergeten. Maar nu is duidelijk: deze thermen bieden een heel nieuw kijk op de Romeinen in Limburg.

Overzicht van de Romeinse thermen in Heerlen

De thermen in Heerlen zijn het best bewaarde stenen gebouw uit de Romeinse tijd in Nederland. „Maar we wisten er veel minder van dan gedacht,” vertelt archeologe Karen Jeneson, conservator van het Thermenmuseum. „Het vroegere onderzoek blijkt nooit helemaal uitgewerkt te zijn.”

Een door Jeneson geïnitieerd Euregionaal onderzoeksproject naar de vroegste Romeinse geschiedenis van Heerlen, Maastricht, Aken en Jülich – nu onderwerp van een tentoonstelling in het museum – leverde daardoor nieuwe inzichten op: Romeins Heerlen en de thermen zijn een eeuw ouder dan tot nu toe werd aangenomen, en de stad was waarschijnlijk veel groter dan Romeins Maastricht.

Honderdvijftig jaar geleden zijn in Heerlen de eerste Romeinse vondsten gedaan. De thermen zijn pas in 1940 ontdekt. Kort na de Meidagen had de toenmalige burgemeester, in de verwachting dat er voedseltekorten zouden komen, bepaald dat op braakliggende terreinen in de stad moestuinen aangelegd moesten worden. In het zuidwesten van het stadscentrum bleef een boer bij het ploegen van zo’n terrein achter een Romeinse zuil haken. Vervolgens legden vrijwilligers onder leiding van de gepensioneerde huisarts Hendrik Joseph Beckers uit Beek, die als amateurarcheoloog al vaker onderzoek in Zuid-Limburg had gedaan, de fundamenten van het Romeinse badhuis bloot. „Dat gebeurde niet helemaal wetenschappelijk verantwoord”, weet Jeneson nu. „Jongelingen kregen geld voor mooie vondsten. Het ging dus meer om spullen uit de grond halen dan echt opgraven.”

In 1941, toen de thermen met kleedruimten, ovens en warm-, lauw- en koudwaterbaden al bijna helemaal waren blootgelegd, riepen de Heerlenaren er toch nog een echte archeoloog bij, Albert Egges van Giffen, hoogleraar in Groningen. Hij kon alleen nog een klein stuk aan de westkant opgraven. Zeven jaar later publiceerde de Groningse hoogleraar een rapport met zijn voorlopige ideeën over het bouwwerk. Op basis van de datering van aardewerk ging Van Giffen ervan uit dat de thermen in de Claudische tijd, rond 40 na Christus waren gebouwd, en tot en met de vierde eeuw in gebruik waren geweest. „Maar zijn publicatie, die in een Festschrift was gepubliceerd, is in vergetelheid geraakt”, zegt Jeneson.

Nooit uitgewerkt

Over de fundamenten zelf ging zand. „In de jaren vijftig heeft de toenmalige Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek nog een opgraving rond de thermen gedaan, maar ook die is nooit uitgewerkt.” Twintig jaar later werd het badhuis opnieuw uitgegraven, nadat Heerlen had besloten van de resten een overdekt museum te maken. Bij de totstandkoming was geen archeoloog betrokken. Toen het museum in 1977 door prins Claus werd geopend, vertelde men op basis van stempels op dakpannen dat de thermen pas aan het begin van de tweede eeuw door het Dertigste Legioen waren gebouwd.

„En tot voor kort is men dat blijven vertellen”, zegt Jeneson die vijf jaar geleden conservator is geworden van de thermen en het bijbehorende museum. Die afgelopen jaren stelde ze vast dat de ongeveer 35.000 Heerlense vondsten, waarvan zo’n tienduizend van het badhuisterrein, allemaal keurig zijn gedocumenteerd. „Maar de synthese ontbrak.”

Het Augustus-jaar in 2014 was een goede aanleiding voor Jeneson om samen met onderzoekers uit drie andere steden in de Euregio naar hun vroegste geschiedenis te kijken. „Heerlen, Maastricht, Aken en Jülich zijn alle vier als vicus, als stedelijke nederzetting, begonnen. Van alle vier was door gebrek aan syntheses van alle opgravingen onduidelijk wanneer ze waren gesticht.”

Jeneson ontdekte in haar collectie munten uit de periode 20 tot 10 voor Christus. Uit dezelfde periode stammen fragmenten van Aco-bekers, die genoemd zijn naar een Gallische pottenbakker uit de eerste eeuw voor Christus en die opvallen door hun dunne wanden en rijke versiering. Ze leidden tot een datering van rond 15 voor Christus voor de stichting van Coriovallum, zoals Heerlen in de Romeinse tijd heette. De vroege nederzetting had volgens haar een opvallend sterk militair karakter. „De typologie van de gevonden fibulae (mantelspelden) is volgens een expert uit Keulen militair, er is vlakbij het badhuis een spitsgracht teruggevonden en het badhuis was in de vroegste fase symmetrisch, wat volgens een andere expert ook wijst op een militaire achtergrond.”

De drie andere nederzettingen zijn waarschijnlijk iets later gesticht. Jeneson: „Aken vrijwel gelijktijdig of kort na Heerlen, Maastricht net na nul en Jülich aan het einde van de Augusteïsche tijd, kort voor 14 na Christus.” Ze ziet hun stichtingen zo voor zich: keizer Augustus besloot eind eerste eeuw om Germanië te veroveren. De uitvoering ervan liet hij over aan zijn rechterhand Marcus Agrippa. Langs de Rijn verrezen forten met in totaal vijftigduizend soldaten. Om die manschappen van voedsel te voorzien werden vici gesticht in het vruchtbare achterland met lössgronden. Coriovallum kreeg een plek op een kruispunt van twee wegen, de weg van Xanten naar Keulen en de Via Belgica.

Grafsteen

Het zou Jeneson niet verbazen als het Vijfde Legioen bij de stichting betrokken is geweest. „In 1873 is in Heerlen een grafsteen gevonden voor de legionair Marcus Julius van het Vijfde Legioen. De fibulae-expert zegt dat in onze collectie mantelspelden zitten die hij alleen uit de eerste eeuw voor Christus uit Gallië kent. Het Vijfde Legioen is door Caesar voor de Gallische Oorlog opgericht en is altijd trouw gebleven aan het Julisch-Claudische Huis, waartoe ook Augustus behoorde.”

Het stenen badhuis dateert, gezien munten, aardewerk en een fragment van een grote inscriptie, waarschijnlijk uit de periode rond 40 na Christus. „Precies zoals Van Giffen al dacht.” De vicus waarin de thermen lagen was volgens Jeneson wel veel groter dan gedacht. „Vroeger dacht men aan een bebouwde kom van 250 bij 400 meter. Maar als ik de vier begraafplaatsen rondom als uiterste bewoningsgrens neem – bij alle vier zijn vlakbij bewoningssporen gevonden – dan kom ik tot een oppervlakte van 600 bij 1.000 meter, twee keer zo groot als Maastricht en maar iets kleiner dan Romeins Keulen in de eerste eeuw.”

Lopend tussen de fundamenten wijst Jeneson op een muur die het tepidarium, het lauw waterbad, doorkruist en doorgangen die zijn dichtgemaakt. „Een teken dat het tepidarium later kleiner is gemaakt.” Dat moet volgens de archeologe in de vierde of vijfde eeuw zijn gebeurd, toen er veel onrusten waren en er een einde kwam aan de Romeinse tijd. „Om het badhuis is toen ook een nieuwe spitsgracht gegraven, precies op de plek van de eerste. Mogelijk is het badhuis met zijn stevige muren toen als fort gebruikt.”

Die stevige muren vertonen nu scheuren en brokkelen af. „Er is hier geen klimaatbeheersing en de resten zijn nooit goed geconsolideerd.” De gemeente Heerlen en de provincie Limburg hebben elk 500.000 euro beschikbaar gesteld voor behoud en restauratie. Maar ook voor nieuw onderzoek naar het badhuis, bijvoorbeeld naar de samenstelling van de mortel en de typen natuursteen, en de uitwerking van de vroegere opgravingen, zodat Jeneson over een paar jaar bezoekers een volledig nieuw verhaal kan vertellen. „Als het aan mij ligt kan het publiek het gebouw dan niet alleen van bovenaf bekijken, maar ook beneden tussen de fundamenten beleven. Wat we hier hebben is niet minder dan in het Engelse Bath. Alleen trekken zij een miljoen bezoekers per jaar en wij maar 15.000.”