Onze man in Kabul

Een Nederlandse ex-politieman werkte in Kabul voor de geheime dienst. Tot Nederland hem als een baksteen liet vallen. Zijn juridische strijd tegen de staat onthult de chaos van een Nederlandse operatie in Kabul.

Ibrahim A. – bijgenaamd de Windhond – staat op een vrijdagochtend in maart voor het Haagse Hilton-hotel. Gladgeschoren en in pak ziet hij eruit als een geslaagde ondernemer. Het is bijna onvoorstelbaar dat dezelfde man in 2007 gewapend met twee Smith & Wessons en tassen vol geheime informatie dag en nacht het zwaar bewaakte terrein van de Nederlandse ambassade in Kabul kon oprijden. Toch kon hij dat. Hij is in Den Haag om erkenning en schadevergoeding te eisen van de Nederlandse overheid. Die heeft hem laten vallen, zegt hij.

Na twee sigaretten neemt Ibrahim een taxi naar de Haagse rechtbank, waar hij een lange dag naar een gordijn zal kijken. Daarachter schuiven spionnen en topfunctionarissen van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) aan, om onder ede een verhaal vertellen dat hij als geen ander kent.

Het verhaal van zijn eigen leven.

De MIVD’ers worden gehoord door twee rechters in de zaak die hij heeft aangespannen tegen de Staat der Nederlanden. Zijn eis: dat erkend wordt dat de overheid een zorgplicht heeft voor hem als voormalig geheim agent, met alle financiële consequenties van dien.

Daarvoor moeten de gebeurtenissen in Afghanistan worden gereconstrueerd. Hij wil zwart op wit krijgen dat hij als manusje van alles – inlichtingenbron, spion, huisvriend en leverancier van legale en illegale waren – een cruciale schakel was voor de Nederlandse missie in Kabul, en later ook in Uruzgan. En dat zijn Afghaanse imperium door toedoen van de MIVD uit elkaar is gespat en hij berooid naar Nederland moest terugkeren.

Tot nu toe werd hij niet geloofd. Delen van zijn verhaal verschenen in De Telegraaf en hij schoof vermomd aan bij Pauw & Witteman, maar altijd was er twijfel. De Nationale ombudsman en de Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) schoven zijn claims terzijde, en de landsadvocaat zette hem eind 2013 weg als een opportunistische vrijbuiter, die „telkens weer feiten verdraaide”.

Geheim agent, dat was hij al helemáál nooit geweest – zo zei de landsadvocaat het tijdens een kort geding. „Hij is als zodanig nooit geregistreerd en er is nooit binnen de MIVD een aanvraag daartoe gedaan.”

Maar nu liggen de kaarten anders. Uit bandopnames, ordners vol processtukken en transcripten van zes dagen intensieve verhoren blijkt dat Ibrahim, ook volgens de MIVD zelf, zeer belangrijk was. En wordt eveneens duidelijk hoe de grootste buitenlandse spionnenmissie in de recente geschiedenis worstelde met gebrekkige techniek, ruzies en de grote afstand tussen Kabul en het Haagse hoofdkwartier.

Wijkagent in Noordwijk

De 44-jarige Ibrahim A. is een avonturier. Hij werd geboren in Oost-Turkije als zoon van een aannemer. De toerist, noemden ze hem, omdat hij op jonge leeftijd Engels leerde en weg wilde uit zijn geboortestreek. Het werd Nederland, waar hij op 22-jarige leeftijd naartoe verhuisde. Hij ging naar de Politieschool, werd wijkagent in Noordwijk en later parketwacht in Den Bosch. Daar woonde zijn grote liefde Elisabeth, met wie hij een stormachtige relatie had, trouwde en een zoon kreeg.

Maar een rustig, Hollands gezinsleven was niets voor hem. Toen een vriend hem in 2004 uitnodigde om in Afghanistan te komen kijken, viel hij als een blok voor het woeste land en verliet hij Nederland. „In Kabul waren ze direct naast de landingsbaan nog bezig de mijnen op te ruimen. Er waren nauwelijks regels of wetten. Alles kon en alles mocht – en ik besloot te blijven.”

Bovendien was er goed geld te verdienen, vooral in het Kabul waar Hamid Karzai in 2004 werd geïnstalleerd als president. Voor het eerst in jaren was er sprake van een relatief stabiele situatie, en de Amerikanen en later ook Europeanen strooiden met hulpgeld om te voorkomen dat Afghanistan opnieuw zou afglijden.

„Ik ben niet bang uitgevallen, kan als oud-agent met wapens omgaan en zie eruit als een halve Afghaan. En ik spreek mijn talen. Binnen een jaar had ik een bedrijf, een huis, een pick-uptruck, een leven daar. Ik begon in de brandstofhandel, als CEO van een bedrijf van een invloedrijke Afghaanse familie. Ik moest ervoor zorgen dat 250 tankwagens zich veilig konden verplaatsen, bijvoorbeeld door Taliban-commandanten om te kopen. Zo kreeg ik door het hele land goede contacten.”

Safehouse

Zo soepel als Ibrahims entree in Afghanistan verliep, zo moeizaam was die van de Nederlandse overheid. Vanuit de kleine ambassade in Kabul moesten voorbereidingen worden getroffen voor de grootste buitenlandse missie van het Nederlandse leger in decennia, de uitzending van 1.400 Nederlandse militairen naar Uruzgan, waartoe eind 2005 werd besloten.

Een zware post van de MIVD moest in Kabul de missie voorbereiden en informatie inwinnen voor de veiligheid van de Nederlanders. Het ambassadegebouw werd al snel te klein, de communicatie met Nederland verliep moeizaam en er was een tekort aan computers.

De ingevlogen MIVD’ers, die zich uitgaven voor beleidsadviseurs van de ambassade, moesten alle zeilen bijzetten. Zij troffen in Ibrahim een „loyale Nederlander” die de weg wist in de chaos van Kabul. De voormalige agent groeide in korte tijd uit tot one-stop-shop: de man die alles regelde.

Ibrahim verdiende goed, voelde zich veilig door de steun van de MIVD, en had het idee dat hij iets terugdeed voor Nederland, het land waar hij trots op was. „Hij heeft in brede zin logistieke steun aan de operatie geleverd. Bijna alle spullen die we aldaar gebruikten, zijn via hem aangeleverd”, verklaarde een geheim agent, die belast is met logistieke facilitaire zaken, in de Haagse rechtbank.

Als vanzelf kwam Ibrahim, zoon van een bouwer, in beeld als aannemer. Hij bouwde twee villa’s die dienst deden als safehouse voor de inlichtingendienst, een geheime uitvalsbasis voor diplomaten, spionnen en commando’s. Bij de oplevering kwam minister van Defensie Henk Kamp (VVD) overgevlogen uit Nederland. Ibrahim verzorgde het ontbijt, en werd bij een door zijn bouwvakkers gemetselde open haard voorgesteld aan de minister „als iemand die voor ons van belang is”, aldus een verklaring bij de rechter.

Hij was een verschijning, in die tijd – flamboyant, druk rokend, met zonnebril en steevast bewapend met twee Smith & Wessons en een kalasjnikov. Hij kwam overal binnen, en mocht met zijn gepantserde pick-uptruck zo het terrein van de ambassade oprijden.

Windhond

Na een aantal geslaagde klussen werd Ibrahim gevraagd of hij niet meer voor de MIVD wilde doen. Drijvende kracht daarachter was Ben, de nieuwe ‘station chief’ van de MIVD-missie in Kabul (zijn volledige naam is in de procedure niet bekend geworden). Deze geheim agent in Kabul was daarvoor gestationeerd in Amman, en gold als een macher: een man die zaken snel en goed regelde. Zo ook in Kabul, waar hij veel respect oogstte voor de manier waarop hij de MIVD-post uit de grond stampte.

Maar Ben, die begin veertig was, had niet alleen maar fans. De oude garde van de MIVD, die het spionnenvak had geleerd in de nadagen van de Koude Oorlog, vond dat hij het papierwerk verwaarloosde. Hij legde zijn werkzaamheden slecht vast en koppelde onvoldoende terug naar het hoofdkwartier in Den Haag.

Papierwerk had weinig prioriteit in Afghanistan. Het was door de haperende communicatieapparatuur moeilijk en tijdrovend om gecodeerde berichten naar Nederland te verzenden. In het chaotische Kabul waren handelingssnelheid en onderling vertrouwen belangrijker dan het naleven van de formele MIVD-procedures.

Zo kon het gebeuren dat Ibrahim een ‘Windhond’ werd – de codenaam voor een geheim agent in Afghanistan – zonder dat Den Haag doorhad wat hij tussen november 2006 en april 2007 allemaal deed voor de MIVD.

Hij leverde auto’s met vervalste kentekenplaten en ritselde „met een stapel dollars” dat commando’s buiten de reguliere kanalen om Afghanistan konden binnenkomen. „Hij mocht omkopen wie hij wilde, als het maar stempels in de paspoorten opleverde”, aldus een MIVD’er achter het gordijn in de Haagse rechtbank. „Ik was mij ervan bewust dat dit een risicovolle activiteit voor hem opleverde. Dat gold evenzeer voor onze dienst.”

Ook kocht hij wapens, die gebruikt werden voor clandestiene operaties. „Hij werd ingeschakeld omdat wij de lokale wapenhandelaren niet kennen en vanwege ons westelijke uiterlijk opvallen.” En hij ging op verzoek van Ben achter informatie aan, bijvoorbeeld door mensen om te kopen. „Het doel van de inzet van Ibrahim was het verkrijgen van informatie in het belang van de troepen dan wel de veiligheid van de Staat der Nederlanden”, aldus diens verklaring.

Zakelijk ging het Ibrahim voor de wind. Hij leverde brandstof en tientallen jeeps aan de Nederlanders en later ook de Canadezen. Hij was betrokken bij een helikopterbedrijf, dat door heel Afghanistan vluchten verzorgde. Hij maakte deel uit van een handelsdelegatie van president Karzai en maakte pretreisjes met de Afghaanse elite naar Dubai. Ook zit er in het procesdossier een opdracht van de Afghaanse overheid voor de bouw van tienduizend huizen in en rond Kabul.

Cowboytje spelen

In april 2007 bereikte de onvrede op het hoofdkantoor van de MIVD over de informatievoorziening vanuit Kabul een hoogtepunt. Den Haag miste „detaillering over de activiteiten die ver weg werden uitgevoerd” en informatie „die wel gemeld had moeten worden”, aldus het voormalige hoofd van de afdeling Human Intelligence tijdens het rechtbankverhoor.

Toen deze Haagse spionnenchef in het voorjaar van 2007 kwam kijken in Kabul, kreeg hij het gevoel dat hij voor „voldongen feiten” werd gesteld. Later kreeg hij „een fikse aanvaring” met lokale chef Ben, die „te veel cowboytje wilde spelen”, en „zijlijnen bezocht die Den Haag niet wilde”. Pieter Cobelens, toen de baas van de MIVD, zei in de rechtbank over Ben: „Hij had zijn hand ver overspeeld. Hij vond het allemaal te leuk en te spannend.”

Een van de twistpunten was de status van Ibrahim. Wat was hij nou? Aannemer, ritselaar, geheim agent of alles tegelijkertijd? „Ik wilde dat mijn afdeling daarover op afstand kon meebeoordelen”, zei de spionnenbaas in de rechtbank.

Inderhaast werd het besluit genomen dat Ibrahim als officieel geheim agent zou worden aangemeld. Twee MIVD’ers gingen naar zijn huis en noteerden zijn personalia, achtergronden en beweegredenen. Die werden ‘gecrypteerd’ op een flashcard gezet. Een MIVD’er die kort daarna op vakantie ging naar Nederland, zou de kaart inleveren bij het hoofdkwartier. Daarna zou Ibrahim de officiële spionnenstatus krijgen en zou ook MIVD-baas Pieter Cobelens officieel op de hoogte worden gesteld van zijn verdiensten voor het vaderland.

Behalve over zijn personalia en liefde voor Nederland sprak Ibrahim tijdens dit verlate intake-gesprek over „een bermbommenfabriek” waarover door hem betaalde informanten hadden verteld. In twee huizen in Uruzgan zouden vijf Bosniërs bezig zijn ongebruikte vliegtuigbommen om te bouwen tot bermbommen. Ook die informatie werd meegenomen naar Nederland.

Daar ging in mei 2007 echter alles mis. Het begon ermee dat het geheugenkaartje met Ibrahims gegevens kapot bleek te zijn. „De registratie is misgegaan doordat de gegevens op de geheugenkaart in ongerede zijn geraakt, omdat ik de cryptocontainer niet geregeld kreeg”, zei een MIVD’er tegen voor de rechter. Dat was allemaal te repareren geweest, ware het niet dat het wantrouwen in Den Haag over het handelen van station chief Ben tot een hoogtepunt was gestegen. Hij werd samen met een collega per direct geschorst omdat hij verdacht werd van het achteroverdrukken van geld van de dienst tijdens een eerdere missie in het Midden-Oosten.

Ben en zijn collega werden „volledig afgeknipt”, mochten zich niet meer in Kabul vertonen, en geen contact meer hebben met MIVD’ers. En ook niet met Ibrahim, die in één moeite door tot persona non grata werd verklaard.

De Windhond zelf had geen idee wat hem overkwam. Toen Ben niet terugkeerde, dacht hij nog dat zijn loyaliteit werd getest. Maar toen in de maanden daarna Afghaanse contacten dreigende taal uit begonnen te slaan en hij het door hem gebouwde safehouse niet meer in mocht, begon het hem te dagen dat Nederland hem had laten vallen.

Daklozenopvang

In de twee jaar daarna zag Ibrahim zijn Afghaanse imperium verschrompelen. De ambassade was verboden terrein geworden, en zijn veiligheid kwam in het geding. Hij ontsnapte in Kabul twee keer aan een ontvoering, en zijn zakelijke contacten kregen er lucht van dat hij voor de Nederlandse inlichtingendienst had gewerkt. Dat leidde tot zijn ontslag bij het brandstofbedrijf.

Uiteindelijk keerde Ibrahim in 2009 terug naar Nederland, bang en berooid. Hij probeerde te redden wat er te redden viel. Een MIVD’er die wist van zijn lot, belde hem op. En hij kreeg weer contact met Ben, de man die hem in Afghanistan zoveel opdrachten had gegeven. Van Ben hoorde hij over de schorsing, en het gevecht met de MIVD dat daarop volgde.

Er waren periodes dat hij dacht dat hij gek werd, of iemand iets aan zou doen. Hij was te onrustig en te boos om thuis te blijven, leefde in de daklozenopvang, bij mensen die zich zijn lot aantrokken, en verbleef drie maanden in een kazerne na bedreigingen aan zijn adres. Tot overmaat van ramp overleed in die periode zijn vrouw – zijn zoon vond haar in het bad, gestorven aan een hartaanval.

Diverse malen kwam hij tegenover de MIVD te staan. De laatste keer boden die hem een afkoopsom van een half miljoen euro, maar dat bedrag stond volgens hem niet in verhouding tot het onrecht dat hem was aangedaan.

Nu moet het er eindelijk van komen. Achter het gordijn van een zaaltje in de Haagse rechtbank heeft hij de mannen van de MIVD stuk voor stuk horen verklaren wat hij al die jaren heeft gezegd. Dat hij, de avonturier en oud-politieman, de waarheid heeft gesproken. Dat hij belangrijk was, en dat ze hem hebben laten vallen.

Hij heeft gehoord dat Ben en zijn collega zijn gerehabiliteerd. Zij hebben een rang erbij gekregen en zitten volledig doorbetaald thuis, op voorwaarde dat ze hun mond houden. Zelf is hij aan het opkrabbelen. Hij keerde berooid met zijn zoon terug naar zijn geboorteland Turkije, waar hij in de zaak van zijn broer werkt.

De zaak tegen de MIVD gaat nog maanden duren, zegt hij op de stoep van de Haagse rechtbank. Maar hij stopt niet: „Er zijn twee soorten Nederland, weet ik inmiddels. Het duistere, van de macht en de inlichtingendiensten, waar de waarheid wordt vervormd als dat goed uitkomt. En het eerlijke Nederland, dat trots en transparant is. Dat Nederland moet overwinnen. Dat is het land waar ik als 22-jarige naar toe wilde, het land dat ik wilde helpen in dat bizarre Kabul.”