Nieuw Nigeria

Bram Vermeulen in Lagos

foto Ben Curtis / AP

Het is bijna middernacht. Lagos zit op slot. Rolluiken hebben winkels stevig ingepakt voor de nacht. Hele straten zijn achter hekken verdwenen. Na het vallen van de avond wordt deze stad van 17 miljoen een labyrint van afgesloten wegen en wegversperringen. De taxichauffeur volgt de aanwijzingen van mijn telefoonnavigatie die ik hem vanaf de achterbank toeroep. Na 200 meter links. Dan 1,7 kilometer over de Lagos-Ibadan Expressway. Daar rechts de afslag. Zo rijden we richting mijn guesthouse. Dat gaat goed tot hij die ene afslag mist. We rijden nog drie straten door en ik herken het winkelcentrum om de hoek van het guesthouse. Deze straat in en dan zijn we er, hoor ik mezelf zeggen. Hij schakelt in de achteruit en draait de weg op.

Dat is het moment dat twee agenten vanachter een pantserwagen onze kant op springen. „Stop!” In het schijnsel van hun zaklantaarns zie ik de schouders van de taxichauffeur naar beneden zakken. Hij weet hoe laat het is. Ik nog niet. Een agent steekt boos zijn bezwete hoofd door het raam. „Zie je niet dat dit een eenrichtingsweg is?” schreeuwt hij. Ik geef antwoord vanaf de achterbank. „Nee dat zagen we niet, agent. Dat komt omdat ik deze straat altijd loop. Dus het is mijn fout, agent. Ik heb de chauffeur de verkeerde opdracht gegeven.”

De mannen in uniform willen niets van excuses weten. „Hier is een overtreding gepleegd”, spreekt de oudste van het stel streng. „Rijbewijs.” Ik zie de chauffeur aarzelen. Overhandiging van het rijbewijs betekent achterstand in onze onderhandelingspositie. Ik heb het eerder gezien in deze stad. Bij de dame van de douane, die na bestudering van mijn vaccinatieboekje tot de conclusie kwam dat ik nog tien dagen had moeten wachten om de recent genomen vaccinaties volledig in mijn bloed op te kunnen nemen. „Regels van de Wereldgezondheidsorganisatie”, sprak ze triomfantelijk. „Ik ga je in quarantaine stoppen. En dan op de volgende vlucht terug naar Johannesburg”, dreigde ze, met mijn paspoort gegijzeld in haar hand. Voor 20 dollar kreeg ik hem terug.

Of die ene keer dat mijn chauffeur een meter te dicht had geparkeerd bij het bord ‘niet parkeren’, bij het vliegveld. Een soldaat griste zijn sleutels uit het contact. Voor 5 dollar kreeg hij ze terug.

Aarzelend overhandigt de chauffeur zijn rijbewijs. De agenten lopen terug naar hun pantserwagen en gaan demonstratief op de motorkap zitten. Dit dreigt een lange nacht te worden. „Wat gaan jullie nu voor ons doen?” vraagt de jongste. Ik stap uit de auto. „Maar dit is toch nieuw Nigeria?” opper ik. Het is een paar uur na de toespraak van Muhammadu Buhari, de ex-dictator die zittend president Goodluck Jonathan versloeg met de belofte voorgoed met de corruptie af te rekenen die Nigeria over de hele wereld een slechte naam geeft. „Jullie nieuwe president heeft net gesproken. De wonden moeten geheeld worden. Het kwaad van de corruptie moet worden uitgeroeid”, citeer ik uit het hoofd. De agenten worden stil. In het schijnsel van de zaklantaarns herken ik een van de agenten. Daags voor de verkiezingen heb ik hem gevraagd voor wie hij zou gaan stemmen. Hij had trots de naam van Buhari laten vallen. „De mensen in dit land zijn doodmoe”, noteerde ik in mijn opschrijfboek. „Wij willen echt leiderschap. We willen Buhari.”

De agent bloost, alsof hij op heterdaad is betrapt. „Dat klopt. Dat was ik.” Een korte stilte valt rond de pantserwagen. „Jullie kunnen gaan.” De chauffeur kijkt me verbaasd aan als we teruglopen naar zijn auto. Ik schud hem de hand. „Gefeliciteerd, man. Dit is nieuw Nigeria.”