Namen de Nederlanders wraak?

Een Nederlandse patrouille liep in juli 1949 in een hinderlaag bij een Indonesisch dorp. Een dag later werd het dorp platgebrand. Wat gebeurde er in Prambon Wetan?

Tekst Gijsbert van Es

Bovenste rij vlnr: De Indonesische veteranen Soecipto, Lilik, Kusnan.Onderste rij vlnr: de Nederlandse veteranen Reurling, Van Lookeren Campagne, Bom. Foto's Marjolein van Pagee

Twee keer drie mannen. Een bloedige geschiedenis verbindt hen, met bij elkaar ruim zeventig doden. Het ene drietal, dat woont op Oost-Java, kent het andere, Nederlandse, drietal niet. Over hun gedeelde verleden is nog lang niet alles bekend.

Alleen de Nederlandse kant van het verhaal is doorgedrongen tot de ‘vaderlandse’ geschiedschrijving. Bij veteranen van het Korps Mariniers is het zelfs een begrip: de patrouille-Teeken.

Op 22 juli 1949 neemt de Nederlandse marinier Leen Teeken het commando over van de militaire post Rengel op Oost-Java. Om zijn gezag te vestigen, gaat hij de volgende dag meteen op inspectietocht in dit onrustige gebied, op zoek naar strijders van het guerrillaleger TNI dat vecht voor een onafhankelijk Indonesië.

Nederlandse militairen van de Landmacht hadden eerder het dorp Prambon Wetan met mortieren bestookt, waarbij burgers om het leven waren gekomen. In juni was het dorpshoofd gedood, toen hij een granaat naar een Nederlandse patrouille probeerde te gooien.

Oud-marinier Ben Reurling (88) stond eind juli 1949 onder commando van Teeken. Ruim 65 jaar later noemt hij het „een grote fout” dat Teeken onvoorbereid en te licht bewapend erop uittrok met tien mariniers en een Chinese collaborateur. Reurling herinnert zich de onheilspellende stilte van een uitgestorven dorp. Vrijwel direct daarna werd vanuit een hinderlaag een spervuur van kogels op de Nederlandse patrouille gelost. Bij een hevig gevecht kwamen Teeken en drie andere mariniers om het leven. De ook door kogels gedode Chinese spion werd met messen in stukken gehakt.

„Ik neem het Teeken erg kwalijk; het is zijn schuld dat die jongens dood zijn”, zegt oud-marinier Reurling. Zelf was hij door kogels in borst en arm geraakt. Samen met zes medestrijders werd hij krijgsgevangen gemaakt. Eén van hen stierf in gevangschap aan malaria. Pas twee maanden later zouden de mariniers weer uitgeleverd worden. Aan Reurlings familie in Nederland werd aanvankelijk doorgegeven dat ook hij gesneuveld was. De rouwadvertentie was al in de krant verschenen toen bekend werd dat hij toch nog in leven was.

Reurling en andere Nederlandse en Indonesische ooggetuigen vertelden hun verhaal onlangs aan de Nederlandse fotografe Marjolein van Pagee. Zij maakte hiervan een fotoreportage en een radioverslag dat zondagavond wordt uitgezonden. De citaten in dit stuk zijn aan haar onderzoek ontleend.

Sinds 2010 werkt Van Pagee aan een project, waarbij zij zowel Nederlandse als Indonesische veteranen opspoort. Het valt haar op dat de Nederlandse geschiedschrijving over de jaren 1945-1949 nog altijd vrijwel geheel uitgaat van Nederlandse geschreven en gesproken bronnen. „De lokale verhalen van Indonesische zijde zijn amper tot het Nederlandse historisch onderzoek doorgedrongen.”

Aan Nederlandse zijde sprak Van Pagee met ambulancechauffeur Dies Bom (87). Hij heeft enkele dagen na het vuurgevecht lijken van omgekomen mariniers geborgen, die dorpsbewoners in de rivier hadden gegooid. „De stank was onverdraaglijk”, zegt hij. Achteraf verbaast hij zich erover hoe hij dat met blote handen deed, zonder handschoenen of andere bescherming.

Monument

Op Oost-Java heeft het dorp Prambon Wetan een monument gewijd aan het geweld in 1949. Wie navraag doet naar de achtergrond van dit gedenkteken komt al snel in contact met drie ooggetuigen.

Soecipto (78) vertelt hoe hij als 12-jarige al door TNI-strijders was ingewijd in de omgang met een vuurwapen. „We schoten met z’n allen tegelijk, zodat de Nederlanders zouden denken dat we een machinegeweer hadden”, vertelt hij, over de strijd op 23 juli.

Kusnan (80) noemt details die overeenkomen met de Nederlandse lezing: „Ik weet dat het een patrouille van twaalf man was. Sommigen hebben we gedood, anderen hebben we gevangengenomen.”

Lilik (72), zoon van het dorpshoofd dat in juni door Nederlands vuur was omgekomen, vertelt: „Ik schuilde onder het bed. Niet ver van mij hoorde ik een enorme explosie. Het bleek de granaat te zijn die mijn vader het leven kostte.”

Hij legt een schrift op tafel, een vijftien pagina’s tellend logboek over geweld in en nabij het dorp tussen december 1948 en juli 1949, dat de dorpssecretaris heeft bijgehouden. De ‘zwartste bladzijden’ gaan over 24 juli, dus een dag na de bloedig geëindigde Nederlandse inspectietocht. Toen zijn 64 dorpsbewoners gedood en 56 huizen in brand gestoken. In het schrift staan alle namen en huizen minutieus opgesomd.

Wraaklust

Fotograaf Marjolein van Pagee legde de dodenlijst uit het schrift van de dorpssecretaris voor aan Nederlandse mariniers die in 1949 ter plekke waren. Oud-luitenant Carel van Lookeren Campagne (89) is één van hen. Hij arriveerde enkele dagen na de kennelijke geweldsexplosie in het gebied en nam deel aan een zoektocht naar de niet teruggekeerde patrouille onder leiding van commandant Teeken.

Heeft Van Lookeren ooit iets gehoord over een Nederlandse vergeldingsactie? Nee, antwoordt hij. Wel herinnert hij zich dat de wraaklust onder de manschappen groot was. Hij zegt dat hij met grote moeite hun emoties onder controle kon houden, onder andere door „keihard godverdomme” tegen hen te roepen. Ex-krijgsgevangene Reurling, die eerst vol ongeloof op de wraakactie reageert, zegt uiteindelijk: „Als dit waar is, dan schaam ik mij kapot.”