Miljoenen betalen voor een punt en wat letters

Een domeinextensie is het laatste gedeelte van een webadres. Tegenwoordig worden de meest gewilde extensies geveild. Amerikaanse bedrijven kopen ze voor miljoenen op.

Wie nog een website eindigend op .app, .ads, .dad, .ing, .fly of .eat wil registreren, zal zich moeten melden bij Google. Het Amerikaanse advertentiebedrijf koopt namelijk de laatste maanden voor miljoenen dollars domeinextensies op.

Het meest geld (25 miljoen dollar) betaalde Google in februari voor de extensie .app. Ook andere bedrijven hebben interesse in de extensies. Amazon schafte de rechten voor .buy (5 miljoen dollar) en .spot (2.2 miljoen dollar) aan. En .ping werd vorige week voor 1,5 miljoen dollar verkocht aan Ping – een producent van golfclubs.

Een domeinextensie is het laatste gedeelte van een webadres, ook wel een Top Level Domain (TLD) genoemd: de .nl in nrc.nl, of de .com in amazon.com. Lange tijd waren er, naast landenspecifieke extensies als .nl, .fr en .es, maar een klein aantal van dat soort domeinextensies om een website op te registreren.

Maar de markt is opengegooid. Door de Internet Corporation for Assigned Names and Numbers (ICANN), het adresboek van het internet. De Amerikaanse organisatie (140 werknemers) is verantwoordelijk voor het introduceren van nieuwe domeinextensies.

Zo wil ICANN meer keuze creëren. Voor nieuwe bedrijven is het moeilijk nog een .com-webadres te registreren – er zijn al ruim 115 miljoen webadressen die daarop eindigen.

Amsterdam kocht .amsterdam

Bedrijven en personen konden in 2012 een aanvraag doen voor een extensie – ICANN schreef er een handleiding van honderden pagina’s voor. De organisatie, die zegt geen winstoogmerk te hebben, is nu bezig met de afwikkeling. Per aanvraag beoordeelt ICANN of het de kandidaat geschikt vindt de extensie te beheren. En geeft de domeinnaam dan vrij of niet. Zo kreeg de gemeente Amsterdam .amsterdam in handen.

Zijn er meerdere gegadigden voor dezelfde extensie en komen die er onderling niet uit, dan wordt de extensie geveild. Dat is nu dertien keer gebeurd. Het meeste geld werd neergelegd voor .app – naast Google bood ook Amazon mee. Farmagigant Johnson & Johnson kocht .baby voor 3,1 miljoen dollar. Een Chinees telecombedrijf kocht het Chinese woord voor informatie.

De bedrijven kopen het recht om domeinnamen, dus hele webadressen, aan anderen te verkopen. Of niet, natuurlijk. Johnson & Johnson zal misschien niet snel een .baby-webadres aan een concurrent weggeven.

Google besloot daarentegen een domeinnaamregister te beginnen. Via dochterbedrijf Charleston Road schreef het bedrijf zich voor 101 extensies in: Charleston Road is één van de Californische straten waartussen de campus van Google ligt.

Neem .soy, bijvoorbeeld, dat Google zo aanprijst: „‘Soy’ is Spaans voor ‘ik ben’, en dit open domein is bedoeld voor u. Wie of wat wilt u vandaag zijn?”

De baas over het internet

Dat is allemaal niet onomstreden. Want wie is de baas over het internet? Met de aankoop van een domeinextensie koopt een bedrijf in een zekere zin óók controle.

Over de extensie .sucks, bijvoorbeeld. Een webadres met jouw (bedrijfs)naam, eindigend op .sucks, zullen weinigen waarderen. Extensies als .champagne en .vin zorgen voor problemen bij wijnboeren. Want offline is het gebruik van de naam champagne aan strikte geografische regels gebonden, online kan de naam zomaar in handen komen van iemand anders. En wat te doen met .amazon, zowel natuurgebied als bedrijfsnaam? Hetzelfde gaat op voor .patagonia.

Daar voert het van oorsprong Amerikaanse ICANN nu discussie over. Inmiddels wel met een bestuur dat uit verschillende nationaliteiten bestaat. Zodat zoveel mogelijk landen meebeslissen over de uitbreiding van het internet.