Kerk als levend standbeeld

Joyce Roodnat

Het leven is een illusie. Matisse. Picasso. Gaudí. Professione: reporter. Tsjechovs Oom Wanja.

Alleen een chagrijnig beest valt niet voor de kunst van Henri Matisse. Nu gaan zulke beesten zelden naar een museum, vandaar dat het complete publiek van de tentoonstelling De oase van Matisse gelukzalig door het Amsterdamse Stedelijk deint. Vaak met geheven smartphone, om met een selfie te versmelten met deze vracht zachtmoedige heerlijkheid. Niemand kan Matisse’ mediterrane zomerkleuren weerstaan, iedereen valt voor de verleiding van zijn schilderijen, en al helemaal voor de idylle van zijn knipsels en collages.

Ik ook.

Wat doen we met vorm, wat doen we met licht, vraagt Matisse zich af. En wat moet een mens met kleuren? Het geruststellende antwoord is: harmonie. Met al die wuivende beelden om me heen voel ik me of ik onder water wandel. Ik word gesust, ik word gewiegd.

En ik word opstandig.

Ja, dit is allemaal prachtig. Maar ik ben niet voor niets extra content met die twee dreigende naakten, een van verf en een van brons. Gelukkig. Soms is Matisse níet het bloemenkind dat zich overgeeft aan „lichte vrolijke zorgeloosheid”, zoals de tekstschrijver van het Stedelijk jubelt.

Het Stedelijk plaatst Matisse te midden van werk van zijn tijdgenoten. Van zijn bewonderaar Picasso hangt er een ‘vertaling’ van Matisse: een odalisk, zo’n halfnaakte luierende haremvrouw. Matisse zoekt met zijn odalisken naar bloei en schoonheid. Bij Picasso groeien er pluimen uit haar oksels en ze heeft een geprononceerde buik.

Niet storen – fluistert Matisse.

Ik stoor – dondert Picasso.

Matisse kon dat ook. Maar hij deed het niet zo vaak. Hij had het niet op verontrustend zijn. En ik mis dat. Ik word hier een beetje wee.

Vorige week was ik in Barcelona en kwam ik aan mijn trekken. In het Museu Picasso zag ik Picasso’s allereerste zelfportret, uit 1896. Hij was nog maar vijftien maar het lukte hem om zichzelf vast te leggen alsof hij een ander schilderde. Als iemand die wordt betrapt, iemand die zich er niet van bewust is dat hij wordt afgebeeld. Dat is nogal wat, puber zijn en jezelf afbeelden zoals je bent, niet zoals je wilt zijn.

Barcelona zindert van de grote Spaanse kunstenaars. Er is een expositie over Picasso en Salvador Dalí samen. Er is een museum vol met de blakende beelden en schilderijen van Joan Miró. En er is de architectuur van Gaudí. Zijn Sagrada Familia is een kerk als een levend standbeeld. Christus hangt er met opgetrokken knieën aan het kruis onder een aureool van lampekapjes: het melodrama van een gemartelde man gecombineerd met acrobatiek à la Cirque du Soleil. En natuurlijk ga ik naar Gaudí’s stadspaleis Casa Pedrera. Heilige grond. Daar, tussen de enorme fabeldieren op het dakterras, filmde Michelangelo Antonioni in 1975 Jack Nicholson en Maria Schneider voor zijn meesterwerk Professione: reporter.

Gaudí? Maria Schneider: „He was hit by a bus.” Die bus was een tram, maar dat verandert niets aan de boodschap: zo ben je een genie en zo lig je dood. Het leven is een illusie.

In Barcelona zie ik alle grote Spaanse kunstenaars zich daarover het hoofd breken. Gaudí, Picasso, Miró, Dalí, ze verschillen sterk, maar ze drinken uit dezelfde bron. Ze zijn geboren surrealisten. Opgewonden ontmantelen ze de werkelijkheid om de illusie ervan te doorgronden. Hun landgenoot Buñuel deed hetzelfde, of hij nou filmde in Spanje, Frankrijk of Mexico. De Spaanse cinema is er sowieso van doordrenkt, zie alleen al alle 33 films van Pedro Almodóvar.

Voor Spanje was het surrealisme al noodzaak toen de term surrealisme nog moest worden uitgevonden. Kijk naar de als autoriteiten poserende hofdwergen die Velásquez schilderde in dienst van koning Filips IV en je ziet het op zijn zeventiende-eeuws. Lees Cervantes, Don Quichot – de eerste moderne roman. Wat is een gevecht tegen windmolens anders dan een surrealistische performance?

Ik ga naar het theater, naar Tsjechovs Oom Wanja, stuk over ziek-melancholieke mensen die vergeefs proberen elkaar te bereiken. Maar in de regie van Erik Whien willen ze juist bij elkaar weg wezen. Het effect is dat het verhaal niet vastloopt in de lethargische Wanja, maar rondtolt om de jonge vrouw van de geleerde rentenierende landeigenaar. Zij wil het meest van allen weg en ze kan dat het minst. Lamgeslagen spartelt ze van gefnuikte levenslust. „Ze heeft haar jeugd opgeofferd”, heet het gelaten. Verontrustende gedachte. Dat offer brengt geen man. Nooit.