Ik wil niet de flinke jongen uit hangen

Reinier van Zutphen: „Je lost problemen niet op met een wet” foto merlijn doomernik

Iedereen stelde hem dezelfde vraag afgelopen week, tot premier Mark Rutte aan toe. Hoe ga jíj het doen? Na ruim een jaar zonder te hebben gezeten, heeft de Nationale Ombudsman sinds deze week weer een gezicht: Reinier van Zutphen (54).

En ja, zegt hij, voor deze functie maakt iemands persoonlijkheid veel uit. „Dat zei iedereen al, maar nu ik het ben weet ik het zeker. Iedereen in de buitenwereld en hier op het instituut is vol verwachting, gespannen soms. Welke richting gaat het uit?”

Van Zutphen was tot afgelopen week president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven, dat is de hoogste bestuursrechter op het gebied van sociaal-economisch bestuursrecht. Die baan zou binnenkort vervallen, want het kabinet wil dat college opheffen en de Raad van State die rechtspraak laten doen. „Maar ik ben geen Italiaanse cruiseschipkapitein, hoor. Ik heb zeker niet gedacht: laat ik nu maar vast gaan.”

De Nationale Ombudsman staat namens de burger op tegen de overheid. Zijn benoeming is de enige die de Tweede Kamer helemaal zelf mag doen. En dat liep vorig jaar mis. Nadat Alex Brenninkmeijer was vertrokken, wilde de Tweede Kamer Guido van Woerkom benoemen, de man die als ANWB-directeur jarenlang lobbyde voor de autorijdende Nederlander.

Van Woerkom trok zich terug na heisa over zijn vertrekpremie van 300.000 euro bij de ANWB. Dat kwam bovenop gedoe over een opmerking die hij jaren geleden maakte: dat hij zijn vrouw liever niet met de taxi liet gaan omdat er wel eens een Marokkaan achter het stuur kon zitten.

Had u in die eerste ronde gesolliciteerd?

„Nee. Ik heb me ook niet verdiept in de vraag of Van Woerkom de juiste beslissing heeft genomen door zich terug te trekken. Wel was de eerste grap van vrienden natuurlijk: goh, konden ze jou wel vinden op Google? We weten allemaal: bij dit soort posities wordt nu eenmaal gekeken of je blazoen schoon is. Daar moet je op bedacht en voorbereid zijn.”

De Tweede Kamercommissie schijnt mensen gepolst te hebben die zij geschikt voor deze baan vond. Zat u daar ook bij?

„Nee, het is mijn eigen initiatief geweest. Mensen in mijn omgeving opperden: zou dat niet wat voor jou zijn? Toen ben ik het lijstje eisen eens langs gegaan en kwam ik een heel eind. Juridische achtergrond en liefst ook praktijkervaring, kennis van Caraïbisch Nederland is een pre. Net als bekendheid met Defensie omdat je ook Veteranenombudsman bent. Dat had ik allemaal, dus heb ik een brief gestuurd. Hoe verder ik in de procedure kwam, hoe liever ik het wilde worden.”

Alex Brenninkmeijer was niet bang voor aanvaringen en kreeg wel eens de kritiek dat hij te ver ging, dat hij politiek bedreef. Gaat u dat ook doen?

„Ik heb niet de behoefte om de confrontatie te zoeken, maar zal wel helder zijn over wat ik vind. Ik wil graag normale verhoudingen waarin je tegen elkaar kunt zeggen waar het om gaat. Sterker nog, misschien moet je wel zulke goede verhoudingen hébben, wil die ander accepteren dat je eens een stevige positie inneemt.”

Dus we zullen u niet snel hoog van de toren zien blazen richting een minister of de Tweede Kamer?

„Dat ga ik helemaal niet doen; daar houd ik niet van. Je moet op de grond staan en zeggen wat je vindt. Intern heb ik gezegd: wat ik belangrijk vind, is dat wij goed naar burgers luisteren, maar ook dat de overheid naar óns luistert. Als dat niet gebeurt, zeg ik het nog eens. Lúister. Ik heb geen behoefte om de flinke jongen uit te hangen, maar ik zal zeker duidelijk zijn.”

Over de rechtstaat was Van Zutphen in 2011 als voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak inderdaad duidelijk: die was in gevaar tijdens het eerste kabinet-Rutte. Minimumstraffen vond hij symboolpolitiek en het verhogen van de griffierechten, de kosten om een rechtszaak te beginnen, vond hij een onzalig en stom plan. „Dat kwam uit mezelf, ik zei dat niet alleen uit hoofde van mijn functie.” Toch drukt hij zich nu voorzichtiger uit. „Ik ben geen wettenmaker, dus je moet oppassen met vooraf een regel goed- of afkeuren. Maar ik zal signalen van burgers over hun toegang tot het recht zeer serieus nemen.”

Ziet u al dingen die de overheid zeker anders moet aanpakken?

„Neem wat mijn voorganger, waarnemend ombudsman Frank van Dooren, heeft gezegd over het in de cel zetten van mensen die hun verkeersboetes niet betalen. Dat vind ik inderdaad verkeerd. Als je te hard hebt gereden en je krijgt een prent, dan moet je die betalen. Natuurlijk. Alleen komen mensen die in grote financiële problemen zitten en hun boete niet kunnen betalen of hun enveloppen niet meer durven openmaken, nu pas helemaal aan het einde van de rit bovendrijven. En moeten dan de cel in. Die benadering is onnodig hard. En het systeem zou met een paar eenvoudige ingrepen burgervriendelijk gemaakt kunnen worden.”

Vindt u dat de overheid zich in het algemeen hard tegen haar burgers opstelt?

„Ik zie in elk geval regeldrift en regelzucht. Dat rotsvaste geloof dat als je ergens maar een regeltje of wet voor maakt, dat je daar de problemen mee oplost. Dat is niet zo.

„Ook in mijn werk als rechter zag ik wel hardheid. Bij het toekennen van landbouwsubsidies bijvoorbeeld. Als een boer een vergissing had gemaakt in zijn percelen, kreeg hij geen subsidie. Had hij een areaal tarwe of grasland als maïs opgegeven, dag subsidie. Dan denk ik: overheid, zorg nou dat je zulke conflicten voorkomt. Dat scheelt zóveel. Het scheelt kosten van het apparaat, maar ook plezier in het leven. Niemand wil een procedure.”

Wat kunt u daar als Ombudsman aan doen?

„Steeds blijven zeggen: wáárom heb je die regel gemaakt? Dat wordt misschien mijn mantra wel. Welk doel wil je hiermee bereiken en gebeurt dat ook? Kan het slimmer en minder bureaucratisch? Zo moeten wij steeds het regelsysteem testen. Het is wel grappig eigenlijk dat al sinds Ruud Lubbers premier was, kabinetten afspraken over minder regels maken. Maar het lukt nooit.”

De Kamer is op incidenten gefocust.

„ Laat ik dan maar het rustpunt zijn. De Ombudsman is tenslotte ook een Hoog College van Staat. Die statuur vormt onderdeel van je effectiviteit. Daarom zal ik niet meegaan met hypes of op sentimenten inspelen.”

Bent u zelf lid van een politieke partij?

„Nee, nooit geweest. Of wacht, eerlijk zijn: ik was geen lid van een partij, maar in de jaren zeventig was ik een jaartje actief in de antirevolutionaire jongerenorganisatie. Ik was een jaar of vijftien, zestien en heel politiek bewust in die periode. Maar ik ben geen partijganger, eerder een politicus zonder partij.”

Neigt u meer richting PvdA of richting VVD?

„Mijn stemgedrag heeft geen vast patroon. Ik leid politiek een zwalkend bestaan. Ik heb vaak sympathieën per onderwerp. Als ik een senator hoor zeggen: moeten we niet eens goed kijken naar hoe wij maatregelen uit het strafrecht en het bestuursrecht aan elkaar knopen, dan denk ik ah, gelukkig, het staat dus wél ergens op de agenda. Fijn, iemand maakt er een punt van.”

Alex Brenninkmeijer noemde het politieke tij in Nederland ‘discriminatoir’ en ‘racistisch’. Vindt u dat ook?

„Dat zijn niet mijn woorden, maar ik zie wel groepen die het lastig hebben. Ik las laatst een interessante column van Arnon Grunberg. Ken je eigen vooroordelen, schreef hij. Verdraaid, dacht ik: ik ontsnap daar ook niet aan. Je weet dat je op een bepaalde manier over mensen of groepen denkt. En dat je enorm je best moet doen dat je niet racistisch wordt.”

Wat bedoelt u?

„Nou, vooroordelen over mensen met een kleur, over mensen met een Afrikaanse afkomst, over mensen uit de tropen. Ik heb zelf vijf jaar op Curaçao gewerkt, dus ik heb ook aan de kant gezeten waar ik in de minderheid zat. Ik weet hoe moeilijk het is om je daaraan te ontworstelen. Ik zie achterstellingen in de samenleving en daar moet je je tegen verzetten. Dat is nou precies de rol van de overheid.”

Premier Rutte zei dat de overheid niets tegen discriminatie kan doen.

„Misschien bedoelde hij: het zal er altijd zijn. Je kunt het wél bestrijden. De manier waarop mensen behandeld worden als ze een aanvraag doen voor een uitkering of voorziening. De overheid moet ervoor zorgen dat wat hen net anders maakt, níet doorslaggevend wordt bij de beslissingen die je neemt.”

Heeft u zich een specifiek doel gesteld voor de komende zes jaar?

„Mensen die naar ons instituut komen, zijn vaak mondig en in staat goed te formuleren welk probleem ze hebben. Ik zou graag de mensen bereiken die dat net niet kunnen. Niet iedereen heeft een goed gebekte buurman die zegt: ik bel wel eens even voor jou naar de Ombudsman.”