Het Koekiemonster is ‘impulsief, onbeheerst, assertief en extravert’

Wil je nu meteen een koekje of wil je wachten – dan krijg je er over twintig minuten twee? Voor een vijf- of zesjarige is dat een heel moeilijke vraag. Het lukt sommige kinderen om te wachten, maar andere eten liever meteen hun ene koekje op. En de kinderen die wachten blijken later gemiddeld slimmere pubers te worden, zelfstandiger, beter geconcentreerd en (nog steeds) beter in staat zichzelf te beheersen. Vervolgens zijn ze als jongvolwassenen ook nog gemiddeld hoger opgeleid, beter in relaties, minder vaak aan de drugs en in het algemeen gezonder. Dat zo’n eenvoudige test zulke belangrijke verschillen in het latere leven voorspelt!

De kinderen mochten zelf kiezen met wat voor snoep ze de test wilden doen. In de Verenigde Staten werd het onderzoek een paar jaar geleden, na media-aandacht, bekend met schuimpjes, marshmallows. Er bestaan T-shirts met de tekst ‘Don’t Eat the Marshmallow’. Er zijn ook Sesamstraat-afleveringen waarin Koekiemonster op een koekje moet wachten om er twee te krijgen. En Amerikaanse schoolkinderen leren in speciaal ontwikkelde onderwijsprogramma’s om hun behoeftebevrediging uit te stellen.

Walter Mischel, hoogleraar psychologie aan Columbia University in New York, publiceerde vorig jaar een boek over de experimenten waarmee hij in de jaren zestig pionierde, ingebed in ander psychologisch onderzoek. The Marshmallow Test is nu in het Nederlands vertaald. En het is een moeizaam leesbaar boek geworden.

Het grootste probleem is dat het zo’n draadgazen vertaling is waar je het oorspronkelijke Engels nog dwars doorheen leest – Engels dat kennelijk vol psychologenjargon heeft gestaan. Dat levert zinnen op als: ‘dat hij [het stotteren] afleerde had alleen maar voordelen – geen nadelen en geen vervangingskosten’. Of ‘Mensen als Bill, die hoog afwijzingsgevoelig zijn, raken gemakkelijk geobsedeerd door de vraag of de ander wel „echt” van hen houdt, en hun eigen gerumineer genereert via hun hete systeem een stortvloed aan woede en rancune, terwijl hun verlatingsangst escaleert.’ En onze favoriet thuis, die we nog vaak zullen citeren: ‘Zij bracht me ertoe dat verdomde roerei naar haar te gooien.’

Het onderzoek dat Mischel beschrijft is op zich interessant, maar je moet je dus wel door de tekst heen wórstelen. En hij plaatst zijn eigen onderzoek weliswaar in de context van ander mooi onderzoek – naar onder andere het psychologisch immuunsysteem, wilskracht en optimisme – maar hij doet niet erg zijn best om echt een verhaal te vertellen. Het lijkt meer alsof hij graag zijn eigen levenswerk wil documenteren, inclusief welke promovendi hij op welke momenten heeft begeleid en met wie hij bevriend raakte. Voor de lezer die iets over zelfbeheersing te weten wil komen zijn die details niet per se belangwekkend. Lezers sukkelen sowieso in slaap bij de schoolse tussentijdse samenvattingen die hij geeft: ‘In Deel 1 hebben we gezien...’ en ‘In Deel 2 beschrijf ik...’ Zo lijkt het wel huiswerk.

Wie zijn zelfbeheersing wil verbeteren, kan het best op pagina 199 van het boek beginnen. Daar staat een opgewekte korte samenvatting van de 198 bladzijden ervoor. Pagina’s 201 t/m 238 beschrijven dan nog de toepassingen van Mischels onderzoek (de rest is dankwoord, noten en index). Daar legt hij onder meer uit hoe je slim plannen maakt als je wilt leren om jezelf in te houden en hoe je je kinderen erbij kunt helpen.

Liefhebbers van stijlbloempjes treffen er bovendien deze omschrijving van Koekiemonster aan: ‘Deze impulsieve blauwe figuur met zijn grote ogen heeft een onbeheerste, assertieve en extraverte persoonlijkheid.’ Waarvan akte.