Docent Gergjev zuinig met woorden

Mysterieuze maestro Gergjev gaf een masterclass aan drie jonge dirigenten. „U moet niet de hele tijd zo blij lachen.”

Ben Gernon krijgt aanwijzingen van Valery Gergjev in de masterclass in de Grote Zaal vna het Concertgebouw in Amsterdam. Foto Oliver Middendorp Foto Olivier Middendorp

Hoe doet hij het? Vijf ballen voor zijn concert met het Koninklijk Concertgebouworkest donderdagavond, geen woord over zijn nauwe banden met president Poetin: dirigent Valery Gergjev blijft een van de meest mysterieuze maestro’s van onze tijd.

Ook zijn volle schema’s en werkdruk zijn inmiddels legendarisch, maar gisteren leidde Gergjev tussen zijn twee concerten met het Koninklijk Concertgebouworkest (vanavond weer in De Doelen) een masterclass voor drie jonge collega’s. Aan de talentvolle, wat keurige Amerikaan Joshua Weilerstein (28). Aan de in gebaren en mimiek (één opgetrokken wenkbrauw) zeer maestro-achtige maar erg prille Brit Ben Gernon (25). En aan de sensitieve Osseet Zaurbek Gugkaev.

De biografie van Zaurbek Gugkaev vermeldt het interessantste niet: Gergiev is zijn volle oom. Zaurbek is de zoon van Gergjevs zus Svetlana en Tamerlan Gugkaev, directeur van de concertzaal van het Mariinsky Theater. Daar is Gergiev zelf artistiek en algemeen directeur. Gergievs andere zus runt er de jong talent-afdeling. Het woord ‘nepotisme’ zoemde dus rond, maar Gugkaev toonde zich het meest opvallende talent van de drie deelnemers. Waar Weilerstein en Gernon musiceerden vanuit perfectionisme, klankgevoel en gedrevenheid, legde Gugkaev zijn ziel op het hakblok. Zijn gespannenheid en de daaruit voortvloeiende zweetaanvallen waren bij zijn eerste beurt zo groot dat je vreesde voor een flauwte.

De Grote Zaal van het Concertgebouw zat op Goede Vrijdag al om tien uur ’s ochtends voor zeker driekwart vol voor de dirigentenmasterclass. Dat initiatief van de laatste chef Mariss Jansons zal ook door de nieuwe chef-dirigent Daniele Gatti worden voortgezet.

Wie hoopte op een kwinkslagencascade, bij veel masterclasses gebruikelijk, kwam bedrogen uit. Gergjev liet zijn jonge collega’s elk zowel Debussy’s La Mer als Strauss’ Don Juan integraal doordirigeren, waarschijnlijk vanuit de overtuiging dat je zo het meest opsteekt van het werken met een eredivisieorkest. Slechts af en toe leverde hij commentaar. Tegen Ben Gernon: „U wilt sneller? Doe het sneller. Er zijn basale dingen die je niet hoeft te zeggen, die je gewoon kunt afdwingen.”

Bij Weilersteins vakmanschap voelde Gergjev zich „comfortabel”, zei hij – met zijn hand geruststellend over die van Weilerstein gevouwen. „Alleen moet u niet de hele tijd zo blij lachen. Deze muziek is niet blij. Nog eens. Geef de houtblazers wat ruimte, dirigeer niet alles zo strak verticaal mee. Alleen dán kunnen ze magie maken.”

Gergjev stelde „de zichtbaar ervaren Weilerstein” ten voorbeeld aan zijn neef Gugkaev, maar je had het vermoeden dat dat óók strategisch was. Gugkaevs uitvoering van Strauss bezat een intensiteit die bij de anderen ontbrak. Maar Gergjev was strenger: „Het orkest heeft een mooie klank en jij wilt met ze zingen, maar soms heb je ook gewoon helderheid nodig. 1,2,3, tellen! Componist Glazunov probeerde ooit zijn eigen muziek te dirigeren, maar raakte de kluts kwijt. Hij vroeg concertmeester Leopold Auer: waar zijn we? Het antwoord was: in een concertzaal. Ik wil maar zeggen: duidelijkheid telt óók.”