Desi voelt zich verraden

Sergeant-majoor Desi Bouterse in 1980 Foto ANP

Op 20 augustus 1841 zet soldaat Kole Jan Bouterse, bastaardzoon van een landbouwknecht uit Wissekerke, voet aan wal in Suriname. Nooit kon deze Zeeuw bevroeden hoe belangrijk die stap voor Suriname was. Na zijn contract wordt hij, zoals meer ex-militairen, plantageopzichter, later plantagedirecteur. In 1867 trouwt hij met ex-slavin Frederika. De Indiaanse wortels van de huidige president liggen op een houtplantage aan de Cassewinicakreek, waar grootvader Henri Bouterse, houtbewerker, met z’n Arowakse vrouw Josephina Emelina woont.

Op haar doelde Desi Bouterse in 2010 toen hij het, met een snik in de stem, historisch noemde dat ‘deze kleine Indiaanse jongen uit Cassewinica’ door het parlement tot president was gekozen. Het is niet toevallig dat hij alleen zijn Inheemse wortels zo vaak benadrukt. Beeltenissen van twee Inheemsen staan op het Surinaamse wapen. En Inheemsen zijn zo’n kleine groep dat ze in het etnisch diverse Suriname geen bedreiging vormen.

Het boek Desi Bouterse. Een Surinaamse tragedie is een leerzame zoektocht van de Nederlandse historicus Pepijn Reeser naar de raadselachtige man die al 35 jaar zijn politieke stempel drukt op Suriname. De man over wie een parlementslid van zijn partij, NDP, in aanloop naar de verkiezingen van 25 mei, onlangs zei dat „God hem heeft uitgekozen om het land te leiden”.

Diezelfde Bouterse woont begin jaren zeventig met zijn gezin in een gewoon rijtjeshuis in Steenwijk. Een (bijna) doorsnee burgerman. Hij leert z’n buren Surinaams koken. In het nabije Meppel is hij een lokale held: als beste speler maakt hij basketbalclub Alcides regionaal kampioen. Eerder had hij een administratieve baan bij sleutelfabriek Lips in Dordrecht. Maar na zijn militaire dienst kiest hij voor een carrière als beroepsmilitair (sportinstructeur) wat hem in Steenwijk brengt. Hij dient ook in het Duitse Seedorf. Met zijn Chevrolet Camaro toont hij er zijn machogezicht. Maar ook zijn sociale kant: hij organiseert een estafetteloop van militairen naar Den Haag om de tv-actie van de NCRV tegen kanker ‘Geven voor leven’ te sponsoren.

Pepijn Reeser probeert weg te blijven van het vooral hier bestaande beeld van Bouterse als psychopathische crimineel – in Nederland bij verstek veroordeeld voor cocaïnehandel en hoofdverdachte in het door een omstreden amnestiewet opgeschorte Decembermoordenproces. De zoektocht van de auteur, enige tijd onderzoeker bij het Surinaams Museum, levert niet altijd nieuwe feiten op, maar kleurt het beeld en scherpt de inzichten.

Plichtsgetrouwe jongeman

Heeft Bouterse een visie of ideologie? Reeser houdt het op het eerste. Bouterse – bij de onafhankelijkheid in 1975 naar Suriname teruggekeerd – verwijst soms naar ervaringen in zijn eerste baantjes, in de jaren zestig. Als administratieve kracht voor transmigratiedorpen – waar Marrons wonen die door het Brokopondo-stuwmeer zijn verdreven – ziet hij hoe weinig beloftes van de Surinaamse overheid waard zijn. En als werknemer op suikerplantage Mariënburg in district Commewijne (van Rubber Cultuur Maatschappij Amsterdam) ervaart hij de nog koloniale arbeidsverhoudingen. „Ik heb zelf op Commewijne gewoond. Niemand hoeft mij te komen vertellen wat pinaren, armoede lijden, is”, zegt hij een jaar na de door hem geleide sergeantencoup van 1980. De coup komt niet alleen voort uit een conflict tussen regering en militaire vakbond, maar ook uit breed gedeelde politiek-sociale onvrede.

Blijft de vraag hoe het zo kon ontsporen? Reeser schetst Bouterse in zijn Nederlandse tijd als een sociale, plichtsgetrouwe jongeman, wat in zichzelf gekeerd. Een collega-soldaat noemt hem de ‘beste’ van de drie pelotonssergeanten, omdat hij alles tot in de puntjes regelt ‘van logistieke zaken tot camouflage voor voertuigen’.

Waarschijnlijk droegen diezelfde eigenschappen bij aan de ontsporing. Bouterse is enorm teleurgesteld wanneer de meeste Surinamers – ontevreden over avondklok, censuur, gebrek aan vooruitgang – niet meer achter hem en de anderen aanlopen. Reeser laat psychologiseren aan de lezer over. Maar gekwetste trots speelde zeker een rol. Bouterse, die nationale eenheid in het etnisch verdeelde land wil, gelooft ook steeds meer in zijn eigen leidersrol. Hij uit verwijten over de ‘verziekende invloed’ van de ‘oude orde’. Maar ook over ‘betweterige ultralinkse elementen’ die losstaan van het volk. Hij laat linkse militairen wegens vermeende coupplannen opsluiten. Om ze kort erna in de leiding op te nemen. Volgens Reeser bekent Bouterse aan hen dat hij had overwogen ze te liquideren.

Als hij eind 1982 tegenover een massale democratiseringsbeweging staat, sluit hij een akkoord over verkiezingen. Om die belofte snel weer in te trekken en belangrijke critici te laten oppakken. En dan: vijftien executies. Ook Reeser tast in het duister wat Bouterse uiteindelijk bezielde. De man die het zo goed met Suriname voorhad, voelt zich verraden. Zoveel is duidelijk.

Er is geen weg terug. Reeser schetst – op basis van gesprekken met onder meer (anonieme) NDP’ers – hoe de basis wordt gelegd voor zijn huidige macht. Bouterse, die dan ‘Leider van de Revolutie’ heet, zet zijn dictatoriale macht om in economische macht. Wanneer hij eind 1992 het leger verlaat – gedwongen door gekozen president Venetiaan – heeft de generatie getrouwen uit de jaren tachtig – (ex)militairen, burgers – belangen in onroerend goed, visserij, houtkap, goud, veeteelt. Hiermee kan Bouterse mensen aan zich binden. En zijn partij, die vooral bij jongeren populariteit ontleent aan het multi-etnische karakter en Bouterse’s charisma, sponsoren. De belangen zijn deels gefinancierd uit cocaïnehandel en corruptie. Reeser spreekt treffend van een machtsblok dat ‘losstaat van traditionele bolwerken als kerken, vakbonden, bedrijfsleven en middenklasse’. Bouterse behoort nu tot ‘volkskerk’ Gods Bazuin. Een tactische zet in een religieus land?

Indiaans geduld

Vooral sinds ‘dat ding’ van december 1982 is de druk op Bouterse immens. Tegenstanders van de amnestiewet noemde hij ‘vijanden van het volk, knechten van de kolonisator’. Volgens Reeser heeft de president een serieus alcoholprobleem. Er gaan op een dag soms meerdere flessen Gold Label doorheen, echt, je gelooft het niet tot je het ziet’, zegt een NDP’er.

Interessant is Reesers constatering dat Bouterse de oude getrouwen niet meer kan corrigeren door de onderlinge afhankelijkheid, ze weten te veel van elkaar. Zo ontsloeg hij de minister van Openbare Werken toen publicaties over corruptie dit onvermijdelijk maakten. Maar hij benoemde hem direct tot adviseur en campagneleider.

In vergelijking met Reesers boek is Desi Bouterse – een Surinaamse realiteit van journaliste Nina Jurna, tot 2010 voor diverse media correspondent in Paramaribo, nogal oppervlakkig. Gelukkig is haar fascinerende RTL-reportage uit 2005 over Bouterse, met interview (‘Ik ben ander soort mens als jullie (...) ik kan met Indiaans geduld mijn tijd afwachten’), als dvd bijgevoegd. Ook Jurna hoort over ‘ongegeneerde corruptie’, maar zij spreekt van ‘een groep rondom de president’. Reeser laat juist zien hoe Bouterse zelf ‘spil’ is van een gecorrumpeerd, deels crimineel systeem, als onderdeel van zijn machtsbasis.

Soms kloppen zaken in Jurna’s boek niet. De beloofde sociale woningen kwamen er nauwelijks. En ‘eindelijk goede gezondheidszorg’? Er kwam een basisverzekering – een van de goede sociale maatregelen die Bouterse stemmen opleveren. Maar intussen staan ziekenhuizen aan de rand van de afgrond omdat ze door slechte overheidsfinanciën niet het geld krijgen om goede zorg te bieden.

De interessantste passages in Jurna’s boek zitten in citaten van geïnterviewden. „We hebben iemand nodig die ons begrijpt maar ook een sterke leider is. Dit land is rusteloos en zoekende”, zegt een vrouw uit Bouterse’s kerk. „Van de vroegere machthebbers hoorden we dat we nog kinderen waren die niet voor onszelf konden zorgen. We werden aan de hand gehouden. Maar die witte hand willen we niet meer. We hebben wel een arm nodig. (..) Een stevige hand van een uit de Surinaamse aarde getrokken leider.” Juist de rol die Bouterse vervult – wijlen Hugo Chávez, populistisch president van Venezuela, is zijn voorbeeld.

Reeser en Jurna trekken tegengestelde conclusies. Jurna meent dat ‘voortzetting van het huidige beleid’ en dus herverkiezing van Bouterse ‘misschien wel het meest gewenst’ is nu Surinamers zich bewuster zijn van de noodzaak ‘te investeren in de eigen kracht en Bouterse voor veel mensen daar de personificatie van is’. Welk beleid? denk je dan. Bovendien is dat geloof in ‘eigen kracht’ ook door een deel van de ‘oude’ politiek gestimuleerd; en ook simpelweg een resultaat van de wisseling der generaties.

Reeser ziet juist een Surinaamse tragedie, omdat Bouterse deel werd van een patronage- en corruptiesysteem dat hij wou bestrijden. Hij perfectioneerde het. De auteur rekent met een zwart scenario. Wat als de oppositie wint en een nieuwe regering de amnestiewet intrekt? In Suriname circuleren veel wapens. Een anonieme NDP’er tegen Reeser: „Als Bouterse in gevaar komt, dan komen we in actie. Dan krijgen we een bericht waar we moeten verzamelen. Er zijn zeker tweehonderd cellen zoals ik.”