De jongste taal

Gstrmidnuurvijhftieuwliekwasinamstrdamplaasvoh. Ik luister naar het nieuws op Classic FM ‘Klassiek Voor Iedereen’. Wat zegt die man? Het lijkt wel alsof zijn zinnen uit een op volle toeren draaiende worstmachine komen. Geen touw aan vast te knopen. Zal ik over een uur even naar Radio 4 luisteren? Nee. Daar is dan een kwibus aan het woord wiens stem, intonatie en woordkeus ik niet kan verdragen. Dan maar zonder nieuws, tot vanmiddag vier uur.

Iedere generatie heeft niet alleen haar eigen woorden, zoals ‘mieters’ en ‘vet’. Het gaat veel verder. Uitspraak, intonatie, snelheid van spreken, toonhoogte, de hele taal wordt in de loop der jaren anders. Toen ik een jaar of tien was, nam mijn vader me mee naar een film van Charlie Chaplin. Op het daaraan voorafgaande filmjournaal zag ik onze minister-president, Hendrik Colijn. In een kerk in Hoorn was hij bezig te herdenken dat Jan Pieterszoon Coen 350 jaar geleden in die stad was geboren. Colijn had zich voor de gelegenheid op zijn deftigst aangekleed. Hij klonk als de zwaar en traag rollende donder. Waarom praat die man zo raar, vroeg ik. Dat heeft hij zo geleerd en hij kan niet anders, zei mijn vader. Thuis probeerde ik hem na te doen. Waarom praat je zo raar, vroeg mijn moeder. Ik ben minister Colijn, zei ik.

Is er tijdens de oorlog een speciale manier van praten gegroeid? Je had toen wel A. den Doolaard voor Radio Oranje, de stem van strijdend Nederland. Ook een variant op de rollende donder maar verre van deftig, voor honderd procent optimistisch, zoals het bij zijn functie paste. En de toon van de NSB’ers was wat hoger, zweemde meer naar een staat van opwinding. Het ANP heette toen BNO, Berichtendienst Nederlandse Omroep. Af en toe kwam Anton Mussert aan het woord. „Mijne kamewaden”, zei hij. En toen werden we bevrijd. De hele taal werd anders, vrolijker, het Engels drong op en dat is nog lang niet afgelopen. Maar nu gaat het over het Nederlands.

Eerst kregen we Radio Herrijzend Nederland, toen tussen 1946 en 1986 het Polygoon Journaal met Philip Bloemendal (1918-1999). Ook zijn stem is tijdgebonden, met een laatste kleine zweem van deftigheid, maar volstrekt vrij van gewichtigheid of andere bijbedoelingen. Nadat hij uit de ether was verdwenen, heeft hij nog de namen van de haltes in de Amsterdamse metro voorgelezen.

Toen ik hem voor het eerst in deze functie hoorde gaf me dat een plotselinge, totaal onverwachte opening naar vroeger. Ik zocht hem op in de Wikipedia. Daar zag ik dat hij een bijnaam had: de stem van Nederland. En gelukkig is er ook een fragment op YouTube. Meer vertel ik er niet over.

Misschien is het een wonder dat na de Bevrijding het Engels niet binnen een paar jaar onze moedertaal is geworden. Het had het prestige van de overwinnaar en die was onafgebroken in vrijwel alle aspecten van het dagelijks leven aanwezig, vooral in het amusement. Nederland was omringd door engelstalige zenders: Radio Luxemburg, The American Forces Network en de BBC. Allemaal met popmuziek. De jeugd liet zich geestdriftig indoctrineren. En dan waren er de goedkope uitgaven van de klassieke literatuur. Achteraf valt het mee dat we toen in het onderwijs niet radicaal op het Engels zijn overgegaan.

Nee, na de oorlog gingen we meteen ons Indië heroveren en tegelijkertijd begonnen we met de wederopbouw. Daarna kwam de literaire revolutie van de jaren vijftig, gevolgd door ‘de rumoerige jaren zestig’, alles in het Nederlands. En aan het eind van de vorige eeuw hebben we het poldernederlands gekregen, magnifiek beschreven door Jan Stroop in zijn essay Poldernederlands; Waardoor het ABN verdwijnt. Verschenen in 1998.

Intussen is er weer een nieuw tijdvak aangebroken. De sociale media hebben van praktisch iedereen een potentiële publieke figuur gemaakt. Die wil altijd bewijzen dat hij op aarde is en dat hij iets belangrijks te vertellen heeft. Het gedrang der belangrijken neemt toe. Hoe kunnen ze nog opvallen? Door harder en sneller te praten, meer gebaren te maken, met hun armen te zwaaien, enzovoorts. Steeds meer Engels en alziedrdagvlggr.