De financiële wereldorde, Chinese stijl

Wil China een eigen IMF en Wereldbank? Historisch is dat niet onlogisch. Na de opmars van de Chinese economie volgt nu de financiële hegemonie.

Het Verenigd Koninkrijk kwam het eerst over de brug, de rest van Europa volgde snel en uiteindelijk stapte zelfs Taiwan deze week in de Asian International Investment Bank (AIIB). De door China opgezette tegenhanger van de Wereldbank telt nu de belangrijkste economieën van Azië en Europa onder zijn medeoprichters. Alleen Japan en de Verenigde Staten doen niet mee.

De grote verschuiving van de machtsbalans in de wereldeconomie, van het Westen naar Azië, is een proces dat decennia in beslag neemt. Sinds zakenbank Goldman Sachs in 2001 de term ‘Bric’ verzon (Brazilië, Rusland, India en China) weten we dat het slechts een kwestie van tijd is, voordat met name China en India economisch even zwaar wegen als de westerse grootmachten van nu, of deze zelfs overstijgen.

Dat is niet verassend: Angus Maddison (1926-2010), lange tijd werkzaam in Groningen, werd in economenkringen beroemd door zijn historisch onderzoek naar de wereldeconomie. Zijn meest vermaarde resultaat, in bijgaande grafiek aangevuld met calculaties van PricewaterhouseCoopers tot en met 2050, toont dat de wereldeconomie langzaam terugkeert naar de machtsverhoudingen die normaal waren vóórdat het Europese kolonialisme en de industrialisering de balans verstoorden en van Europa een wereldmacht maakten. De enige werkelijk nieuwe factor is de ontdekking en opkomst van de Nieuwe Wereld – de Amerika’s, waar de Verenigde Staten uitgroeiden tot een blijvende grootmacht.

Terug naar ‘normaal’

De overgang, of beter: de terugkeer naar ‘normaal’ komt er aan. En China, als het zich ’t snelst ontwikkelende en meest bevolkingsrijke land, zal daar zijn oude plaats weer innemen. Ook als daar recessies of depressies tussendoor komen. De opkomst van de VS als economische supermacht in de twintigste eeuw ging ook niet zonder schokken. De laatste decennia van de negentiende eeuw vonden daar forse recessies plaats, alsook in het eerste decennium van de twintigste eeuw. En er was uiteraard de Grote Depressie van de jaren dertig.

Het weerhield de VS er niet van in 1944, tegen het einde van de oorlog, een nieuwe financiële architectuur voor de wereldeconomie op te tuigen, waarvan zij zelf het middelpunt waren: de Bretton Woods-instituten, waarvan het Internationaal Monetair Fonds (IMF) de financiële stabiliteit moest waarborgen en de Wereldbank de wederopbouw in met name Europa financierde. De Amerikaanse dollar werd de as waarom het systeem draaide.

Het is zeventig jaar later niet gelukt om plaats te maken voor de opkomende landen waaronder vooral China. Oude afspraken en verhoudingen prevaleerden. De VS bleven halsstarrig de president van de Wereldbank leveren, de Europeanen de directeur van het IMF. Een herverdeling van stemmen en kapitaalinbreng, die opkomende landen meer zeggenschap moest geven, wordt al vier jaar opgehouden door het Amerikaanse Congres. Washington houdt, hoewel het maar 15 procent van de stemmen heeft, een veto in beide instellingen.

Het voorlopige resultaat is dat er in Azië nu simpelweg onder Chinese leiding een andere wereldbank is opgericht: de AIIB. Is dat het begin van een door de nieuwe supermacht Beijing opgetuigde parallelle architectuur? Eind jaren negentig rezen er in Azië plannen voor een ‘eigen’ IMF. Door de Azië-crisis van destijds werden landen door het IMF verplicht tot draconische maatregelen in ruil voor financiële steun.

Het Chang Mai-initiatief, naar de stad in het noorden van Thailand, moest er voor zorgen dat dit de Aziatische landen nooit meer zou overkomen. Maar het mede door Japan geïnstigeerde plan voor een Aziatisch Monetair Fonds kwam nooit van de grond. Er zijn echter tekenen dat het Chang Mai-plan een nieuw leven krijgt. Of dat lukt hangt mede af van het IMF zelf.

De dollar, de munt van supermacht Amerika, is sinds de oorlog de wereldmunt. China wil de yuan (of renminbi) in de toekomst de rol geven die dan bij zijn status als supermacht past. De Chinese premier Li Keqiang verzocht IMF-directeur Christine Lagarde vorige week om de Chinese yuan op te nemen in de SDR’s (special drawing rights), het mandje van valuta’s waarmee het IMF rekent. Elke vijf jaar wordt dit mandje herzien. De eerstvolgende vergadering daarover is in mei. De SDR bestaat op dit moment voor 49 procent uit dollars, 33 procent uit euro’s, 11 procent uit ponden en 7 procent uit yen. Dat geeft de huidige status quo aardig weer.

Yuan als wereldmunt

Een fundamentele verandering van de SDR vergt een meerderheid van 85 procent in het IMF-bestuur. Opname van de nog beperkt verhandelbare yuan is een fundamentele kwestie, en een Amerikaans veto is dus mogelijk. Gaat Washington dat gebruiken? Mocht China worden geweigerd (of zelf aansturen op zo’n weigering), dan heeft het er een argument bij om naast een ‘eigen’ wereldbank straks ook een ‘eigen’ IMF in het leven te roepen.

Intussen werkt Beijing hard aan de acceptatie van zijn munt in het internationale verkeer, waarin de yuan nog maar zo’n 2 procent van alle betalingen uitmaakt. Singapore en uiteraard Hongkong zijn de twee Aziatische financiële centra waar yuans worden verhandeld. En in Europa bevochten Parijs, Frankfurt en Londen elkaar om de handelsplek voor yuans te mogen worden. Londen is het verst, en deed de meeste concessies. Dat verklaart wellicht waarom het Verenigd Koninkrijk als eerste door de bocht ging en zich tot verbijstering van de Amerikanen aansloot bij de AIIB.

En Washington? Dat moet zich beraden op zijn strategie. Wellicht dat het Witte Huis de aanschaf moet overwegen van The Rise and Fall of Great Powers, het visionaire werk van Paul Kennedy uit 1987, waarin de huidige gang van zaken al wordt voorzien. Om af te sluiten met een citaat van bijna dertig jaar geleden: „De taak waar Amerikaanse staatslieden voor staan in de komende decennia, is om te erkennen dat er grote verschuivingen komen. Om te erkennen dat het nodig is om die te ‘managen’, zodat de relatieve erosie van de positie van de Verenigde Staten langzaam en soepel plaats heeft, en niet wordt versneld door beleid dat voordelen brengt voor de korte, maar nadelen op de lange termijn.”