Column

Bankje

Georgina Verbaan

Ze moeten voorkennis gehad hebben. Van dit moment, op deze dag, op precies deze plek. Van de zacht schijnende zon, van deze bank, aan dit water. Het water, dat het zonlicht zo gemoedelijk terugspeelde. Als gegiechel van licht. Ze waren zo het schilderij in geschuifeld, deze oude man en oude, kleine, kromme vrouw. Ze zaten er naast elkaar alsof ze er hoorden. Meestal zitten er op dat bankje hangjongeren. Hangjongeren die ik wel begrijp, het is een mooie plek. Veel beter dan op een bankje in de vorm van een walvis met ingelegde mozaïeksteentjes tegenover Bakker Bart. Ook beter dan op het half uitgebrande kabouterhuisje van een speeltuin. De man had de vrouw op het bankje geholpen en was voorzichtig naast haar gaan zitten. Als je oud bent duren dingen langer, ook al heb je minder tijd. Uit een tas had hij twee kleine zakjes paprikachips gehaald. Hij had het zakje voor zijn vrouw open gemaakt. Zij had hier op gewacht terwijl ze haar ogen als een havik op het zakje gericht had gehouden. Ze was meteen gaan eten toen hij het haar gaf. Zo zaten ze daar. Met hun chips over het water uit te kijken. Zwijgend. Het deed niet aan als zwijgen uit onverschilligheid, ook niet als zwijgen uit minachting of koude haat. Maar het was even fascinerend. Misschien dat een chipje op een bankje in de zon wel even genoeg was. De vrouw had moeite om de laatste kruimels uit het zakje te krijgen. Met haar rimpelige vingers probeerde ze onderin te komen terwijl ze het zakje dicht bij haar gezicht hield, de vingers in haar mond stak. De man had zo af en toe even naar haar gekeken, zoals een moeder naar haar peuter kijkt die zelf zijn yoghurt probeert te eten. Toen de zakjes leeg waren was hij voorzichtig opgestaan om ze in de prullenbak te gooien. Hij had zich vastgehouden aan het bankje. Daarna had hij met zijn mouw de kruimels uit het gezicht van zijn vrouw geveegd, en er nog wat uit haar sjaal geklopt. Toen was hij weer gaan zitten. Naast zijn stille kleine vrouw.