Vegetariër? Ben je krankzinnig geworden?

Een Zuid-Koreaanse roman over een kil huwelijk laat zien hoe sterk verwachtingspatronen, sociale dwang en gewoontes kunnen zijn. Een boek over passie, verlangen en instinct, en de onderdrukking daarvan.

‘Ik heb geen eten nodig, niet meer. Ik kan zonder eten leven. Het enige wat ik nodig heb is zonlicht.’ Wat op een dag begint met het besluit van Yeong-hye om vegetariër te worden, eindigt met haar inzicht dat ze eigenlijk een boom is. Het lijkt te absurd voor woorden, maar De vegetariër van de Zuid-Koreaanse schrijfster Han Kang (1970) is een zeer overtuigende, indringende roman.

We leren de hoofdpersoon kennen via drie andere personages: haar echtgenoot, haar zwager en haar zus, die elk in hun eigen deel – ‘De vegetariër’, ‘Mongolenvlek’ en ‘Vlammende bomen’ – hun visie op Yeong-hye geven. Veel andere personages zijn er niet, alleen de ouders en broer van Yeong-hye, wat artsen, allemaal zonder naam, en nog een paar mensen die enkel met een hoofdletter worden aangeduid. Hecht zijn de menselijke relaties evenmin.

Vanaf de eerste bladzijden is duidelijk hoe de verhouding van het echtpaar is, vreedzaam maar kil. Yeong-hyes echtgenoot, een volkomen conformistische en ook wat egoïstische man, heeft haar ‘altijd volstrekt oninteressant’ gevonden. Hij is voornamelijk met haar getrouwd omdat ze ook geen nadelen vertoonde – een passieve vrouw die geen eisen stelt, een vrouw die alles doet zoals het hoort. Het enige uitzonderlijke aan haar was dat ze soms geen bh droeg en zelfs dat stoort hem, want hij is bang dat hij daardoor zelf voor gek staat tegenover zijn kennissen.

Wanneer Yeong-hye van de ene op de andere dag besluit om vegetariër te worden na een nare droom vol bloed, vlees en angst, is haar echtgenoot woedend en vol onbegrip. Yeong-hye doet geen moeite het hem uit te leggen en haar man vraagt er niet naar.

Ook de rest van haar familie vindt het onacceptabel; haar vader, die zich in haar jeugd herhaaldelijk behoorlijk gewelddadig heeft getoond, probeert haar te dwingen door het vlees in haar mond te proppen, en haar moeder probeert het via chantage. Iedereen keurt het af zonder naar haar beweegredenen te vragen.

Ongetwijfeld moeten we hier de Zuid-Koreaanse context in gedachten houden. Daar was je alleen vegetariër als je boeddhist was, werd je geacht je te houden aan de starre maatschappelijke structuren en regels, en was gehoorzaamheid aan de ouders belangrijker dan je persoonlijke aard of ontwikkeling. Maar het boek, dat in vele talen is vertaald, is op zo’n manier geschreven dat die specifieke context niet overheerst.

Sociale dwang

Met veel verbeeldingskracht en subtiliteit laat Han Kang zien hoe sterk verwachtingspatronen, sociale dwang en gewoontes kunnen zijn, en hoe ieder individu daar verschillend op reageert. Dat zijn kwesties waarmee we uiteindelijk allemaal te maken hebben. Ook in onze westerse maatschappij hebben we voorbeelden, zoals boek en film One flew over the cuckoo’s nest om maar iets te noemen, die laten zien in hoeverre we hier bereid zijn te gaan om mensen in het gareel te brengen en houden.

Han Kang roept vragen op naar passie, verlangen en instinct en de onderdrukking daarvan, naar middelmatigheid en aanpassingsvermogen, gevangenschap en vrijheid, onvermogen tot communicatie, de grens tussen gezond verstand en waanzin, en de manier waarop mensen veranderen in het zoeken naar hun weg in dat alles.

Behalve Yeong-hye zelf is ook haar zus een mooi voorbeeld daarvan. Zij is een sterke vrouw, met een eigen zaak, iemand die zich aanpast, maar zich toch niet afsluit, zoekend naar een middenweg. Ze is de enige die haar zus probeert te beschermen en uiteindelijk te begrijpen, zelfs in die mate dat ze vertwijfeld raakt en aan Yeong-hye bekent: ‘Ik heb ook dromen, weet je. Dromen... en ik zou me erin kunnen laten verdwijnen, me eraan overgeven... maar de droom is toch niet het enige wat er is? We moeten op een gegeven moment toch wakker worden?’

Directheid

Hoe indringend de vragen die het boek opwerpt ook zijn, toch werd ik het meest getroffen door de directheid, de beelden, de rake zinnen en vooral de fantasie waarmee het is geschreven. De desolaatheid die Yeong-hye omgeeft is voelbaar. De drie delen hebben ook allemaal duidelijk een eigen stem, het sterkste daarin is misschien het tweede deel, geschreven vanuit het perspectief van de zwager, een mislukte kunstenaar die seksueel en artistiek geobsedeerd raakt door Yeong-hye. De passie én afstandelijkheid die de personages daar tentoonspreiden, zijn ook typerend voor de stijl van de roman, die tegelijkertijd meeslepend en koel is, nooit melodramatisch maar altijd beheerst.

De vegetariër heeft een vreemd soort stille kracht, die maakt dat je het in één ruk wil uitlezen en er lang over na blijft denken. De bevreemdende sfeer beklijft, maar vrolijk werd ik er niet van. ‘Niemand kan me helpen. Niemand kan me redden. Niemand kan me laten ademen.’