Uit zo’n leven ontsnap je niet zomaar

In zijn nieuwe roman stort Boogers een weergaloze hoop ellende uit over zijn hoofdpersoon Aaron. Het lijkt geen onsje minder te kunnen. Maar het verhaal had op geen andere manier verteld kunnen worden.

Alex Boogers met zijn pitbull Foto Krijn van Noordwijk

Het meest waardevolle aan Alleen met de goden van Alex Boogers is dat hij een verhaal vertelt dat in de Nederlandse literatuur zelden klinkt – dat van de kansloze jongere, de onmondige white trash, de verschoppeling. Het gaat over de mensen die, om een positie in de samenleving te verwerven, moeten vechten.

Of brullen. ‘We zitten in de brulbusiness, jij en ik’, zegt de vader van de jonge Aaron Bachman tegen zijn zoon. ‘En of ik er nu ben of niet, je moet van je laten horen. Je moet grommen. Je bent een Bachman en moet niet over je heen laten lopen, hoor je me?’

Dat hoort Aaron, dat knoopt hij in zijn oren – zeker als zijn vader even later inderdaad voor een lange poos afwezig is. Hij verdwijnt naar de gevangenis, na een onduidelijk voorval met een onbekende man in de woonkamer van huize Bachman, ergens onder de rook van Rotterdam. De man komt door toedoen van vader Leen om het leven. Vanaf dat moment moet Aaron het zelf zien te rooien: zijn moeder zwelgt in zelfhaat en zelfmedelijden en verwijt haar puberzoon ook dat hij geen poot uitsteekt om haar leven wat aangenamer te maken.

Zo dramatisch zijn de verhoudingen, en zo blijven ze ook: Boogers stort een weergaloze hoop ellende over zijn hoofdpersoon uit. Aaron is zo’n jongen die een sociaal stigma krijgt door zijn ‘criminele’ vader (die overigens een tamelijk rechtschapen vrachtwagenchauffeur was – al reed hij soms ook illegale vrachtjes, maar vooral uit naïviteit). Hij is zo’n jongen die op de basisschool een te laag schooladvies krijgt – nee, het lijkt de juffrouw écht beter dat hij naar de technische school gaat. Terwijl hij niets met techniek heeft: schrijfambities, die heeft hij, maar daar kan hij in zijn omgeving niets mee.

Hij is zo’n jongen die kennismaakt met seks als zijn buurmeisje en buurjongen uit hun huis wegvluchten voor hun agressieve vader en bij Aaron in bed kruipen. Terwijl Aaron en buurmeisje Olivia steeds meer aan elkaar gaan zitten, ligt buurjongen Ronald (die heimelijk op jongens valt) er genoeglijk bij.

‘Niemand bekommert zich om je, niemand geeft om je’, is ook al zo’n wijze les die hij van zijn vader meekrijgt. En uit dat leven ontsnap je ook niet zomaar. Omdat hij na zijn schooltijd nog steeds moet vechten om zich te bewijzen, doet hij precies dat: hij wordt bokser.

Nee, het kan bij Boogers géén onsje minder.

Daardoor lijkt Alleen met de goden op het eerste gezicht misschien wat al te plat realistisch en eendimensionaal hard-boiled, als het type Amerikaanse boksfilm die ook een coming-of-age-verhaal is. Want het grote gebaar schuwt Boogers ook niet: er zijn passages waarin je de filmmuziek al voelt aanzwellen, en Boogers doet geen moeite om te verhullen dat hij betekenis in zijn verhaal legt. Zo is het allerminst toevallig dat Aaron een vertrouwensband opbouwt met een onhandelbare pitbull – ze zijn allebei opgegeven, omdat ze een agressieve inborst zouden hebben, geen redden meer aan. Maar als je pitbull Otis zorgvuldig en geduldig benadert, blijkt hij te vertrouwen.

De laatste scène van de pitbull hoort overigens tot de sterkste van de roman: als Aaron en Otis op straat ruzie krijgen met een groep opgeschoten types, verliest de hond zijn beheersing en bijt hij keihard op de aanvallers in. Toch niet te vertrouwen, dus. De hond moet worden afgemaakt. Dat gaat door merg en been.

Hoe kan het dat Boogers zo overduidelijk doelmatig en weinig spaarzaam schrijft (de coming of age duurt ruim 500 bladzijden), en de roman toch boeit en overtuigt en raakt? Dat is omdat zijn Aaron het type waarvoor hij staat, ontstijgt: hij is tegelijk wel én niet ‘zo’n jongen’, want zijn stem is oprecht en voelt authentiek. Daardoor voelt de wereld die Boogers oproept toch niet eendimensionaal, hoe hardvochtig en cynisch die ook is.

En ja, Aaron vertelt zijn levensverhaal in retorische clichés – maar klinkende volzinnen zouden uit zijn mondonwaarachtig hebben geklonken. Je raakt ervan overtuigd dat je zo’n verhaal eigenlijk niet anders kunt vertellen. Tegelijk observeert hij scherp. Het ongemak van een gesprek weet hij bijvoorbeeld te vangen in een eigenzinnig beeld als dit: ‘Gerrit liet zijn tong rondgaan in zijn mond, alsof hij pindaresten uit zijn kiezen wipte.’ Alleen voor de goden is misschien geen voer voor fijnproevers, maar de zeggingskracht is groot.