Ten onder gaan in het stadspark

Precies en empathisch voert Schoenmakers in zijn nieuwe roman een 49-jarige planoloog richting ondergang. Dit is een boek waar helemaal niets hips aan is. Waren er maar méér van dit soort boeken.

Tekening Paul van der Steen

M.M. Schoenmakers was zo’n schrijver van wie je meende weleens een boek in de ramsj te hebben zien liggen, vanuit een ooghoek. Daarbij hielp het niet dat de Bossche auteur (1949) er sinds Het zwaard van goud en liefde (1998) het zwijgen toe deed. Niet omdat hij al was uitgeschreven, zo blijkt nu. Want plotseling is daar De wolkenridder. Ditmaal geen roman die zich afspeelt in Suriname, waar Schoenmakers jarenlang werkte (inderdaad, dat heb ik opgezocht), maar het verhaal van de 49-jarige Nederlandse planoloog Gerlof Verdegaal.

We maken kennis met hem bij de nazit van de uitvaart van zijn vader, waaraan verder slechts zijn niet meer zo heldere moeder en een tante deelnemen. Er is sinaasappelthee en er zijn genoeg hapjes om een kamer vol rouwenden te cateren. Het tafereel is nog treuriger dan een begrafenis doorgaans bedoeld is. Na afloop parkeert Verdegaal zijn auto aan de rand van een bos en loopt hij door de begroeiing naar een vennetje waar hij als kind wel kwam. ‘Daar zat hij dan, op een boomwortel die als een kromme vinger uit de aarde stak, donker gepolijst vanwege het frequente gebruik als zitplaats, tussen de naaldbomen en bij het water, zijn vader kwijt en straks ook zijn moeder, en het eerste kwartier niet in staat tot een piëteitsvolle gedachte, misselijk als hij was van alle exotische thee die hij achterover had geslagen en de vette paling daarbovenop.’

We zijn dan op pagina dertien – en je hebt bij zulke verzorgde, kalme zinnen even het idee dat je met een literaire tijdmachine twee decennia teruggeflitst bent: dit is een boek waar helemaal niets hips aan is. En meteen de gedachte: waren er maar méér van dit soort boeken, méér van dit soort schrijvers. Dat heeft te maken met de kalme melodieën in Schoenmakers stijl; hij schrijft amper een zin waarin je een woord zou willen veranderen – zelden zie je een schrijver zo elegant het evenwicht bewaren tussen ingetogenheid en opsmuk.

Planologische dienst

Het verhaal is al evenzeer in balans. Kalm, precies en empathisch voert Schoenmakers zijn planoloog richting ondergang: want dat De wolkenridder een roman is met meer neerwaartse dan opwaartse krachten, is na de deprimerende ouverture al duidelijk. Verdegaal wordt eerst op zijn werk in de hoek gedreven: hij heeft bij de planologische dienst de weinig begerenswaardige functie van ‘inbreider’, hij moet de dingen kleiner maken – of het nu fietspaden of plantsoenen zijn. Vervolgens dreigt voor hem een archieffunctie, ook al omdat hij er vaak niet is. Een chronisch onrustige maag bezorgt hem de ene na de andere verzuimdag. Als dan het huwelijk ook gaat verzuren begint de radicale ‘inbreiding’ van Verdegaals eigen bestaan. Hij verlaat vrouw, koophuis en kinderen en installeert zich op een septemberdag bij een transformatorhuisje aan de rand van het stadspark. Daarbij gaat hij secuur te werk: hij maakt afbakeningen van takken en andere losse spullen om een soort tuin te creëren. Hij heeft niet alleen een slaapzak en een regenpak meegenomen, maar ook gereedschap. Al snel voegt de hond des huizes zich bij hem.

Het park ligt Verdegaal na aan het hart: zijn vader was een van de arbeiders die hielpen bij de aanleg en verloor daarbij drie vingers. Zijn zoon wil nu een gedenkplaat laten maken, bezoekt daartoe ook een vakman, al heeft die weinig vertrouwen in de onderneming: ‘Ik denk: meet nou eerst op hoe groot de liefde is. En meet ook op hoeveel de portemonnee kan hebben.’ Inderdaad is geld een probleem, want het uitzendbureau beschouwt Verdegaal als onbemiddelbaar. Het buitenleven is hem dan ook aan te zien: vieze kleren, diverse beharingen, schimmelvoeten. Om de dag bezoekt hij zijn moeder in het verpleeghuis en propt hij zich vol met cake en broodjes. Bij zijn transformatorhuisje sluit hij vriendschap met een ongelukkige jongeman die hij, in ruil voor eten en soms geld, ‘wijs advies’ geeft. Ook doet hij weleens klusjes voor de opzichter van het naburige sportpark.

Het zijn de beste weken van Verdegaal, die soms bezoek krijgt van zijn kinderen. ‘Op een zaterdagmiddag, het liep tegen half zes, werd de jongste tegen hem in stelling gebracht,’ schrijft Schoenmakers dan. Verdegaal keert niet terug naar huis. Wel breekt hij zich het hoofd over hoe zijn vertrek zich nu precies heeft voltrokken: is hij weggegaan of is hij eruit gegooid?

Fysiek ongemak

Uiteraard volgt verdere aftakeling, samen met het invallen van de winter: het verpleeghuis ontdekt de etensdiefstal, er ontstaat fysiek ongemak, er is iets met een vrouw, de boel stroomt onder en de hond sterft. Later droomt Verdegaal dat het dier hem zegt: ‘Ik wilde zo graag uw hond zijn,’ een compliment dat je de dan al uitgeteerde hoofdpersoon van harte gunt.

Je zou De wolkenridder kunnen classificeren als een roman over een midlifecrisis en over de kleine kliekjes troost die een zelfgekozen dakloze nog ontvangt. En ook over de verhouding tussen planning en improvisatie, toch op een bepaalde manier de kern van de Nederlandse samenleving. Zeer Hollands is dan ook wat er in het verpleegtehuis gebeurt. Zelfs daar wordt de zwerver nog verwelkomd, al moet hij zijn van de bacteriën vergeven bovenkleding in een doos in bewaring geven, zodat die de kwetsbare oudjes er geen last van krijgen. Het zijn dit soort kleine taferelen die De wolkenridder tot een uitgesproken warm boek maken, waarin de onvermijdelijke neergang van Verdegaal des te pijnlijker is.

Ergens in het boek komt (wat te opzichtig) het onderscheid tussen snelle en langzame boeken ter sprake. De wolkenridder is ontegenzeggelijk een langzaam boek, al is het niet langzaam genoeg. Steeds weer kom je zinnen tegen die je nooit meer zou willen loslaten, als: ‘Voor het oog dommelend maar in werkelijkheid strijdend tegen een sentimenteel hazenhart, met knopen in zijn darmen van bangigheid, beleefde Verdegaal de ene vuurwerkrijke dag na de andere.’

Het is dan al winter en we naderen het eind van deze beeldschone roman. Maar niet dan nadat we een van de mooiste scènes van het jaar hebben gelezen, waarin Verdegaal in een laatste stilzwijgende oprisping van vaderlijkheid de ijskoude voeten van zijn jongste zoon warm wrijft. Kijkt u zelf maar, pagina 232. En vergeet de rest niet.