Taxi

Als er iets is waar ik nooit gebruik van maak, dan is het van een taxi. Ik denk dat dat komt door mijn jeugd, zoals ik eigenlijk denk dat alles altijd komt door mijn jeugd. Mijn vader vervoert zich uitsluitend per taxi, op een manier die doet vermoeden dat hij nooit anders heeft gedaan.

Van de scheiding van mijn ouders heb ik weinig meegekregen en ze zijn nog altijd goeie vrienden, maar ik herinner me nog goed dat ik als kind op een verlaten kleuterschoolplein stond. In de regen. De juf nam me weer mee naar binnen en ik zat net gezellig alleen met haar te kleuren in de klas – ik voelde me uitverkoren dat ik alleen met de juf was – toen mijn moeder doorweekt en verhit binnenstormde, zich uitgebreid excuserend, althans, eigenlijk zei ze alleen veelbetekenend: „Haar vader…”. De juf begreep het. Ik begreep het ook. Achterop de fiets voelde ik hoe mijn moeder haar irritatie op de trappers botvierde. Ik sloeg mijn kleuterarmpjes stevig om haar heen in de hoop dat dat misschien zou troosten.

Ineens hoorden we getoeter. Naast ons reed een taxi. Er ging een raampje naar beneden en mijn vaders hoofd verscheen: „Sorry” zei hij. „Het regent, het stond vast.” Mijn moeder negeerde hem en trapte nog venijniger door. Toen mijn ouders enkele maanden later aan me vertelden dat ze uit elkaar gingen, snapte ik dat. Sindsdien associeer ik taxi’s met onverantwoordelijk, verwend gedrag en neem ik er alleen een in noodgevallen; een lekke band onderweg naar een huwelijk of midden in de nacht autosleutels kwijt na een etentje in IJburg. Wat ik tijdens die luttele keren wel ontdekte was hoe heerlijk een taxi is. Lekker naar buiten kijken, over de trambaan racen en laten we eerlijk zijn: je voelt je een koning en dat is soms ook wat waard. Soms.

Eergisteren moest ik op het Westergasterrein zijn, in de studio van een befaamd praatprogramma. Hoewel ik wist dat niet ik maar het boek waaraan ik had gewerkt in beeld zou komen, had ik om de een of andere reden toch overmatig veel aandacht aan mijn outfit en kapsel besteed. En het stormde en regende en nou ja, ons boek was net die dag van de drukker gekomen, ik kon niet anders dan concluderen dat ik een taxi verdiend had. Een echte TCA-taxi.

„Mercedestaxi!” juichte mijn zoontje toen die voor kwam rijden. Mijn moeder keek bedenkelijk en ik vroeg me af of ze ook aan die ene keer dacht. Ze zwaaiden me samen uit.

De rit van Zuid naar de Westergas was te kort. Taxichauffeur Hussein bleek aanstekelijk te kunnen vertellen over Arabische literatuur (had hij gestudeerd in Marrakech, „het Maastricht van Marokko”), over hoe hij Liza Minnelli ooit in de auto had gehad „precies waar jij nu zit dus hè, maar dan in mijn oude auto” en over hoe heerlijk het wonen was in Buitenveldert. „Joden en moslims wonen daar heel gezellig samen, wist je dat?” Ik beloofde een keer te komen kijken. Daar zat een column in. En ineens begreep ik mijn vader. En vergaf ik hem.