‘Niemand heeft een idee. Dat is het engste’

De Griekse crisis laat volgens de Duitse sociaal-econoom Wolfgang Streeck zien dat kapitalisme en democratie uiteindelijk frontaal op elkaar botsen. „We zitten op een vulkaan.”

Wolfgang Streeck: „De meeste politici blijven zeggen: ‘Dansen, mensen, dansen! De crisis is voorbij!’ ” Foto Chris Keulen

In zijn boek ‘Gekochte Tijd’, dat deze week is verschenen, laat de Duitse socioloog Wolfgang Streeck zien dat de crisis met Griekenland niet is veroorzaakt doordat ‘de Grieken teveel uitgeven’ of ‘Duitsers zuinig zijn’. Wat hier aan de hand is, schrijft de oud-directeur van het Max Planck Instituut voor sociale wetenschappen in Keulen, gaat veel, veel dieper: het is een clash tussen kapitalisme en democratie die er al sinds de jaren zeventig aan zat te komen, in alle westerse landen.

Streeck: „Decennialang hebben westerse politici geprobeerd die clash af te wenden. Elke keer vonden ze een oplossing die even werkte, maar het probleem uiteindelijk groter maakte. Nu zijn we op een punt beland, waarop er eigenlijk geen oplossingen meer zijn. Alleen nog stoplapjes. Dat is wat je in Griekenland ziet.”

Streecks boek, dat in 2013 verscheen, is in veertien talen verschenen. Er is zelfs een Chinese editie. ‘Gekochte Tijd’ probeert een bredere, historische verklaring te bieden voor de crisis, zonder ‘bankiers’ of ‘zuiderlingen’ als zondebokken aan te wijzen. Opbeurende lectuur is het niet. Streeck concludeert dat het kapitalisme de democratie in Europa heeft verslagen. In zijn kantoor in Keulen geeft hij uitleg.

Waarom ging het de eerste decennia na de oorlog wel goed tussen die twee?

„Dat was een uitzonderlijke periode. De combinatie van kapitalisme en democratie, die eigenlijk niet samengaan, was alleen mogelijk na de destructie van twee wereldoorlogen: iedereen in Europa wilde een compromis. Iedereen had met iedereen gevochten: naties, sociale klassen, ideologieën.

„Bovendien doemde er een gemeenschappelijke vijand op, het communisme. Daardoor was de tijd rijp voor de verzorgingsstaat, waarbij het kapitalisme aan de leiband liep van de staat. Overheden garandeerden werkgelegenheid en gezondheidszorg. Vakbonden waren machtig. Met dit systeem waren de kapitalisten én de arbeiders tevreden, zolang de economie floreerde door de wederopbouw. En het nam de voedingsbodem voor communisme weg.

„Maar eind jaren zestig daalde de groei. Bedrijven en investeerders zagen hun inkomsten dalen en eisten meer vrijheid om geld te verdienen. Ook burgers stonden op hun strepen. Ze waren gewend geraakt aan loonverhogingen en wilden die niet opgeven. Regeringen stonden in een spagaat tussen markten en kiezers, zoals nu. Als ‘oplossing’ lieten ze de inflatie oplopen om alles te kunnen blijven bekostigen. Dat was ‘tijd kopen’, fase één.”

En dat ging niet?

„In Amerika steeg de inflatie eind jaren zeventig tot ruim 20 procent! Het werd onhoudbaar. Daarna begonnen landen geld te lenen om sociale voorzieningen te betalen – fase twee. Om die leningen makkelijker te krijgen begonnen ze de financiële sector te dereguleren, die zo de ruimte kreeg waar ze al jaren voor lobbyde.

„In de jaren tachtig, toen Reagan en Thatcher aan de macht kwamen, begon het neoliberalisme. Maar ook dit kon niet eindeloos duren. Tegen de jaren negentig was de staatsschuld in veel landen zó hoog, dat dezelfde markten daar moeilijk over gingen doen. Regeringen gingen bezuinigen en privatiseren. Overal.

„Maar weer wilden ze burgers niet te veel teleurstellen. Daarom zorgden regeringen voor extreme financiële deregulering en liberalisering, waardoor burgers makkelijker leningen konden krijgen en alles wat ze wilden met krediet konden kopen. Dit was de periode waarin de staatsschuld daalde, maar de particuliere schuld explodeerde: fase drie. Dit eindigde in 2008, met een klap.”

Maar die klap gaf geen lucht?

„Nee. Regeringen namen de bankschulden grotendeels over, maar kregen meteen de financiële markten op hun dak. Dus moesten ze hard bezuinigen. Zo stagneerde de economie. Om die weer aan de praat te krijgen, zitten we nu in fase vier: geld bijdrukken. Centrale banken kopen bank- en staatspapier.”

Waar eindigt dit?

„We zitten op een vulkaan maar de meeste politici hebben geen idee waar het heengaat. Ze blijven zeggen: ‘Dansen, mensen, dansen! De crisis is voorbij!’ ”

Optimisten zeggen: tot nog toe ging het toch steeds goed?

„Tot nog toe luidt de ‘oplossing’ die regeringen vandaag bedenken om het feest te laten voortduren, steeds de crisis van morgen in. Dit kan lang doorgaan. Maar daarnaast zie je verontrustende trends die niet eindeloos kunnen duren. De stijging van de ongelijkheid. Het toenemende aantal drop outs, ook in Europa. Groei die dunnetjes blijft, wat we ook doen. De groeiende irrelevantie van verkiezingen: wat je ook stemt, elke nieuwe regering moet hervormen en met de markten op de hielen doorwerken aan wat ik de ‘consolidatiestaat’ noem.

„Ik zie geen enkele ontwikkeling die dit kan stoppen. Niemand heeft een idee. Dat is het engste. Na de oorlog hadden we ideeën over hoe we samenleving konden inrichten. In de jaren zeventig ontwikkelden we ideeën die daar haaks op stonden – maar het waren ideeën. Welke ideeën zijn er nu, behalve overal geld vandaan halen om het schip drijvende te houden?”

Kunnen we leren van de crisis in de jaren dertig?

„Ja, maar die lessen zijn niet opwekkend. Destijds kon de financiële sector makkelijk worden beknot: Amerika was een industrieland. Nu is Amerika vrijwel compleet afhankelijk van de financiële sector. Zij gaat de kip met de gouden eieren niet slachten. Het lukt Europa ook niet. De tweede les van de jaren dertig is dat iedereen alleen bij zinnen kwam door de oorlog. Geen inspirerend voorbeeld.”

Waarom noemt u verkiezingen irrelevant?

„De moderne consolidatiestaat is slank en geprivatiseerd. Er is weinig staat, en dus zijn er weinig onderwerpen om inspraak in te hebben. Veel economische beslissingen worden niet meer nationaal genomen, maar op Wall Street of god weet waar. Hoe meer besluitvorming we bij bedrijven en centrale banken neerleggen, hoe minder politieke greep we erop hebben. Door al die factoren stemmen er steeds minder mensen en zijn protestpartijen populair.”

Zoals Syriza in Griekenland?

„Ja, maar wat helpt het? Syriza moet, zoals elke regering, kiezen tussen twee kwaden: meelopen in het gareel, of een verpauperde paria worden in een geopolitiek instabiele omgeving. In beide gevallen is ze de regie kwijt.”

Is er een moment geweest waarop politici hadden kunnen ingrijpen?

„Tot de jaren zeventig misschien. Leiders als Eisenhower, Adenauer, Brandt – zij waren getekend door oorlogservaringen. Zij hadden burgers kunnen uitleggen: ‘Mensen, de bonanza kan niet eeuwig duren’. Sindsdien is de kwaliteit van onze leiders achteruit gegaan. Het zijn pr-mensen die niet aan de macht komen met goede ideeën, maar omdat ze de massa goed bespelen, het verhaaltje mooi verpakken en altijd blijven glimlachen. Ze moeten optimisme uitstralen: dat er niets fout gaat.”

U wilt dat zuidelijke eurolanden uit de muntunie gaan. Waarom? U schrijft zelf dat het probleem niet Europa is, maar het doorgeschoten kapitalisme.

„Klopt. Maar aangezien we dat kapitalisme niet kunnen intomen, moeten we de second best-remedie nemen. Markten kunnen alleen functioneren als beleggers volledige rechtszekerheid hebben en er geen politieke inmenging is. Ze gedijen bij rigide begrotingsregels. Die heeft de eurozone ook. Maar als je eenmaal uit de bocht bent gevlogen, zoals Griekenland of Portugal, heb je enige flexibiliteit nodig om er bovenop te komen.

„Die flexibiliteit is er nauwelijks. De Griekse schuld stijgt. Dat kan Athene nooit afbetalen. Wij noordelingen kunnen hen niet nog jaren onderhouden. Duitsland en Italië sturen jaarlijks 4 à 5 procent van hun bruto binnenlands product naar Oost-Duitsland, respectievelijk Zuid-Italië, maar dit houdt het verschil met die arme regio’s alleen maar in stand. Meer niet.

„Bínnen deze landen roept dit politieke problemen op, binnen de Europese Unie is dit onhoudbaar. Stel je voor: vier, vijf landen, waaronder Nederland, die 4 à 5 procent per jaar overmaken naar Zuid-Europa. Nu al schelden Grieken op Duitsers en Duitsers op Grieken. Dit moet stoppen. Anders maak je de Europese Unie kapot.”