Column

Nico Scheepmaker

Zondag is het 25 jaar geleden dat columnist en dichter Nico Scheepmaker op 59-jarige leeftijd onverwacht overleed. Een kwart eeuw! De tijd vliegt en we raken bijna allemaal vergeten, maar bij bijzondere mensen als Scheepmaker moet dat zo lang mogelijk worden tegengegaan.

Hij was een van de bekendste en beste columnisten van zijn generatie. Als lezer heb ik hem jarenlang dagelijks trouw gevolgd, als collega mocht ik hem een poosje van nabij meemaken. Hij was als columnist toegevoegd aan het verslaggeversteam, dat door een grote combinatie van provinciale kranten (de GPD) naar de Olympische Spelen van 1972 in München was uitgezonden.

Nico schreef voor die combinatie zijn dagelijkse column ‘Trijfel’. In München vergaderde hij met ons mee over onderwerpen, maar verder ging hij zoveel mogelijk zijn eigen gang. Een vriendelijke, kalme man die een aangenaam soort onverstoorbaarheid uitstraalde.

Daar leerde ik begrijpen hoe zijn onvoorstelbaar grote productie aan columns, gedichten en boeken tot stand kwam: door nooit aflatende werklust en strenge discipline. Hij rookte niet, dronk weinig en ging op tijd naar bed. Ook bleef hij onder moeilijke omstandigheden doorwerken. Op de onrustige perstribune schreef hij een puntgave column, terwijl de wedstrijden in het stadion doorgingen.

In gedachten leek hij voortdurend met zijn werk bezig. Op stadswandelingen ging hij altijd kiosken binnen om kranten te scoren, die hem materiaal voor een column konden opleveren. Zijn columns bestonden in de eerste plaats uit feiten, daarna kwamen (soms) de meningen; daarin verschilde hij van menige collega.

Nico zal vooral de persgeschiedenis ingaan als de columnist die met grote volharding bleef opkomen voor de belangen van de Russische dissidenten. Hij schreef aanvankelijk vooral voor linkse bladen, de Volkskrant voorop. Daar ontstond nogal eens gemopper over wat door sommigen als een obsessie werd aangemerkt. De columns van Jan Blokker, die sceptisch tegenover de dissidenten stond, waren ter redactie populairder dan die van Nico. Hij merkte dat en ergerde zich daaraan; in zijn columns komen opvallend vaak uitvallen naar Blokker voor.

Het liefst had hij een dagelijkse, in plaats van een wekelijkse, column in de Volkskrant gehad. Toen de hoofdredactie dat weigerde, stapte hij over naar de provinciale bladen van de GPD. Zijn columns zijn dankzij hun informatieve gehalte en scherpzinnigheid nog steeds goed leesbaar. Zijn standpunten ademen een grote ruimdenkendheid. Hij pleitte voor een ongebreidelde vrijheid van meningsuiting en ruimhartige steun aan (vervolgde) minderheden en individuen. Een van zijn principes: „Een democratie baseert haar gelijk op het tolereren van het ongelijk van haar tegenstanders, en niet op het onderdrukken van dat ongelijk.”

Al herlezend in bloemlezingen stuitte ik in een van zijn columns weer op ‘München’. Hij schrijft over de Russische atleet Valeri Borzov die op een persconferentie zijn gouden medaille toeschreef aan het Sovjet-systeem. Nico vroeg toen of de Sovjet-atleten die géén medaille hadden gewonnen dus door de Sovjet-staat in de steek waren gelaten. De Sovjet-delegatie vertrok daarop gepikeerd, Borzov won een tweede gouden medaille, maar verscheen daarna niet op de persconferentie.

Nico: „Ik beschouw dit nog steeds als mijn grootste wapenfeit op sportgebied.”