IJs Koud? Dan smelt het niet!

Hoewel de thermometer nog andere taal spreekt, is het alweer twee weken lente. Weer of geen weer, de ijssalons openen weer langzaam hun deuren, hoewel voorlopig nog op een kier. Frank van Dijl op bezoek bij de smakelijkste ijsmakers.

foto thinkstock

Te koud voor een ijsje? Een oudere dame uit Streefkerk met haar Rotterdamse vriendin bij De IJssalon aan de Meent: „Ja, het is wel koud nog, maar dat geeft toch niks? Dan smelt je ijsje niet zo snel... Ik ben al veertig jaar weg uit Rotterdam, maar als ik een dagje in de stad ben, kom ik hier graag voor een bolletje. Ik heb nu een ijsje van amarenenkersen. Terug naar de stad? Mij te druk. Maar de stad blijft toch trekken, dat wel.”

„Er zijn mensen die kijken naar het weercijfer in de krant. Maar aan de pretoogjes van de ijsmakers kun je ook zien wat voor weer het is”, zegt schrijver Ernest van der Kwast. Van der Kwast geldt als een expert op het gebied van de Rotterdamse ijssalon, sinds vorig jaar zijn roman De IJsmakers verscheen. Het verhaal is gebaseerd op de geschiedenis van de familie Olivo die al vijftig jaar La Venezia op de Oude Binnenweg runt. (Het boek verschijnt in 2016 in Duitse vertaling.) Het staat voor de vele Italiaanse families die vanuit Italië de oversteek maakten. Niet zelden zit de zaak generaties later nog op hetzelfde adres, nog vaker staat dezelfde familie nog achter de toonbank: derde, vierde generatie. De families heten Betti, Belfi, Olivo, Zampieri, Talamini, De Lorenzo. De namen verschillen, net als de plaatsen van herkomst, maar haast altijd is er een grootvader of een overgrootvader, zich aan het begin van het verhaal overigens nog van geen nageslacht bewust, een jongeman nog, die vanuit zijn dal in de Dolomieten of zijn dorp in Toscane naar Nederland trekt om zich als ijsverkoper te vestigen.

Hij begint met al dan niet zelf in elkaar geknutselde ijskarretjes zijn producten op straat uit te venten en opent van zijn eerst verdiende kapitaal een ijssalon in een van de drukkere winkelstraten van de stad.

Maar in Vlaardingen treffen we geen Giovanni, geen Angelo, maar Rick. Rick van der Windt. Aan hem kleeft niets Italiaans. Hij is de vierde generatie van ijsbedrijf Winzo (van der Windt & Zonen), in 1919 gesticht door zijn overgrootvader, dus juist voordat de eerste Italiaanse ijsbereiders in de jaren twintig en dertig in onze streken hun fortuin kwamen zoeken. Hij kan zich er daarom op beroepen de oudste ijszaak van Nederland te runnen, maar haast zich om dat te relativeren: „Voor zover ik weet dan, hè.”

Eén ding staat vast: waar je ook vandaan komt, ijs bindt.

Hij wijst op het tafeltje waarvan hij juist is opgestaan: „Daar zit generatie nummer vijf.” Zijn dochtertje en een vriendinnetje peuzelen in hun schoolpauze een poffertjesmaal op.

Sinds 1953 zit de zaak op het huidige adres, net buiten het door planologen geteisterde stadscentrum van Vlaardingen. Achter de salon met een tafeltje of zes, zeven bevindt zich een ruime werkplaats waar Van der Windt dagelijks vers ijs bereidt.

Als kind had hij ook wel andere dromen, maar ja.

Er zijn zoveel mensen in Vlaardingen geweest die hier gingen proberen om ijs te verkopen, maar hij zit er nog. Ze komen voor zijn ijs uit het Westland, uit Rotterdam, laatst waren er mensen uit Den Haag: „Die waren uit eten geweest en kwamen speciaal hierheen om bij mij een ijsje te halen. Dat is gaaf.”

Het leukste vindt hij het om smaken te verzinnen, maar er ontstaat ook wel eens iets lekkers door een vergissing. „Je staat citroenijs te maken en gooit er per ongeluk banaan doorheen. Dan heb je baci-ijs. Dat blijkt dan ook weer een succes.”

Het ijs van Winzo wordt gemaakt door warme bereiding: koken, homogeniseren, pasteuriseren, Italiaans ijs wordt vaak koud bereid, weet Van der Windt. Het basisrecept is net zo oud als het bedrijf, bijna honderd jaar.

Het zal de tijdgeest zijn geweest. 1922 was het jaar waarin Angelo Betti, de grootvader van de huidige Angelo Betti, voor het eerst in Rotterdam kwam. Hij kwam uit Crasciana in Toscane en was op doorreis naar Amerika. Zijn einddoel was New York, maar toen het hem niet lukte om daar een bestaan op te bouwen, kwam hij terug om in Rotterdam te blijven hangen. De pizzeria/ijssalon op de Schiekade, bij de kruising met de Bergweg, is een begrip voor generaties Rotterdammers.

In die jaren twintig en dertig verlieten de eerste ijsmakers hun dorpen. „Toen ik in 2003 voor het eerst in Noord-Italië was”, vertelt Ernest van der Kwast, „werd ik rondgereden door Giuseppe Olivo. Ten zuiden van Cortina d’Ampezzo passeerden we een dal. ‘Kijk,’ zei Giuseppe, ‘hier wonen de ijsmakers.’ Toen dacht ik: daar ga ik een roman over schrijven. Later las ik hem de eerste vier hoofdstukken voor. ‘Je weet meer van ijs dan ik,’ zei hij toen.”

De Olivo’s zitten al vijftig jaar op de Oude Binnenweg. Nu is het Giovanni die er dagelijks vers ijs maakt. Hij gaat in bescheiden mate met zijn tijd mee. In de vitrine staat een bak met smurfenijs in een kleur blauw die zeer doet aan je ogen. „La Venezia is heel traditioneel”, zegt Van der Kwast. „Niet echt vernieuwend: ik denk dat hij één of twee nieuwe smaken maakt per seizoen.”

Voor Van der Kwast schuilt het plezier niet per se in het ijseten (hij heeft geen voorkeur voor een smaak), maar in het feit dat het nog bestaat. „Alles verandert in de winkelstraten, maar de ijssalon is eeuwig. Ik kom er al van jongs af aan. Ik ging er met mijn eerste vriendinnetje heen en later met mijn vrouw. Vroeger met mijn vader, tegenwoordig met mijn eigen kinderen. Ik zie er Ahmed Aboutaleb wel eens zitten, twee stoelen verderop, soms met zijn vrouw. Dát is voor mij de troost in Rotterdam: een aardbeienmilkshake bij Venezia en de vrouw van Aboutaleb twee stoelen verderop.”

Capri is een andere constante in Rotterdam. Deze zaak van de familie Burdo zit sinds 1957 op de hoek van de Van Oldenbarneveltstraat en de Karel Doormanstraat, een kleiner filiaal is gevestigd aan het Middellandplein. Op deze plek heeft sinds 1947 altijd een ijssalonnetje gezeten. De familie Høssen (met Noorse roots) die de zaak in 2010 overnam, neemt het ijs van de grote Capri af, maar de toevoeging ‘& delicatessen’ op de winkelruit duidt op de eigen specialiteiten: wat te denken van een warm broodje ijs? Eric Høssen: „We zijn bij tal van bakkerijen langsgegaan om het geschikte broodje te zoeken, maar we konden niets vinden. Toen zijn we zelf aan de slag gegaan.” Het broodje wordt verwarmd in een apparaat, maar zeer kort zodat het ijs niet de kans krijgt te gaan smelten.

„Citroen is een van de toppers hier in de buurt”, zegt Høssen. De ‘kleine Capri’ bevindt zich in het hart van de zeer gemêleerde wijk Middelland. Dochter Youandi Høssen zegt: „In de Karel Doormanstraat heb je echt het winkelende publiek, hier komen echt de mensen uit de buurt.” Vader vult aan: „Chocolade doet het hier ook goed, net als mandorlato (gesuikerde amandelen met honing en chocoladepasta) en strawberry-cheesecake.” Zoon Xavier is van het experimenteren: hij wil een keer proberen haringijs te maken, nadat hij er eerder in slaagde om de smaak van een Big Mac in ijs te vangen.

Net als zoveel andere steden in Nederland heeft ook Schiedam een La Venezia. De opa van Antonio Belfi begon in 1924 met ijskarretjes, later opende hij een zaak in de Passage. „Ik weet nog dat ik als kind bijverdiende door eieren te splitsen. Er werd vroeger meer met eieren gewerkt, soms moest ik er honderd splitsen want je had alleen de dooier nodig,” vertelt Antonio.

Hij verhuisde naar het Rubensplein omdat de Passage te duur werd en het publiek wegbleef. Om meer omzet te genereren en niet alleen afhankelijk te zijn van het ijsseizoen, ging hij ook pizza’s bakken.

Antonio Cosentino is juist blij met de vijf maanden dat hij dicht kan. Hij nam in 2002 IJssalon Nino over van de familie Zampieri, nadat hij als in Italië opgeleide chefkok overal ter wereld in de keuken had gestaan. „Iedereen zegt dat de ijsmakers allemaal uit de Dolomieten komen, maar daar zijn ze het op Sicilië niet mee eens, hoor”, lacht hij. Zijn wieg stond in Reggio Calabria, in de teen van de Italiaanse laars.

Ernest van der Kwast: „We hebben in Rotterdam niet de absolute top, zoals we die op het gebied van restaurants wel hebben. Je moet eens op Sicilië gaan proeven, of in Duitsland. Dichterbij heb je Roberto Gelato in Utrecht: die kan zelfs van liefdesverdriet ijs maken.’