Iran: de revolutionair en het compromis

In een vijfsterrenhotel in Lausanne spreken zes grote landen al weken met Iran over het Iranese kernprogramma. Amerikaans minister John Kerry pakt ’s morgens de fiets en ook Iraniër Javad Zarif wandelt graag langs de oevers van het meer van Genève. De verwachtingen zijn hoog. Maar kan een theocratie wel onderhandelen?

Sinds de islamitische revolutie past Iran slecht in de internationale orde. Op 1 april 1979, bij de oprichting van de Islamitische Republiek, sprak ayatollah Khomeini van „de Eerste Dag van Gods Regering”. De leiders wilden een staat in de traditie van de Profeet, van religieuze zuiverheid en universele missie. (Opposanten en andersgelovigen, als ketters vervolgd, hebben ervaren wat dit betekent.) Ayatollah Khameini zei eens: „Ik ben een revolutionair, geen diplomaat.” Het zinnetje blijft haken. Betekent het dat hij onderhandelen uitbesteedt aan vaklui zoals zijn buitenlandminister? Of juist dat hij nul concessies kan doen? Heilig vuur verdraagt zich niet met het diplomatieke compromis.

De onderwerpen in Lausanne zijn technisch: kerncentrifuges, splijtmateriaal, toezichtregime... Het Westen gaf al toe op civiel gebruik van centrales; nu draait het om de tijd waarin Iran bij niet-naleving een kernwapen kan maken. De inzet is hoog politiek. Teheran wil de opheffing van de westerse sancties, die de economie ruïneren en waar de Iraanse bevolking (maar niet de leiding) onder lijdt. Daarentegen willen de zes machten (Amerika, Rusland, China, Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland) verhinderen dat Iran een kernmacht wordt en het ontvlambare Midden-Oosten theater van een wapenwedloop.

Op de achtergrond speelt de opkomst van de Islamitische Staat. Deze jihadisten zijn een soennitische variant op wat Khomeini c.s. aan sji’itische zijde deden en bedreigen zowel Amerika’s vrienden Irak en Saoedi-Arabië als Iran. Deze week streden Washington en Teheran de facto zij aan zij om de stad Tikrit op IS te heroveren, maar in Jemen en Syrië staan ze tegenover elkaar. De regering-Obama gokt nu op wijdere positieve effecten van een deal. Zoals men in de jaren zeventig slim betrekkingen aanknoopte met communistisch China, zo zou nu islamitisch Iran weer tot de ‘family of nations’ kunnen toetreden.

Boeiend dus te weten wat de Amerikaanse architect van de pingpongdiplomatie met China ervan vindt. Henry Kissinger, want die is het, publiceerde eind vorig jaar World Order, een meesterlijk-synthetisch boek over de geschiedenis van de internationale orde. Hij ziet vier grondvormen: het Europese statenstelsel van na 1648, waarin landen elkaars soevereiniteit erkennen; het Chinese model van een groot regionaal rijk; het Islamitische van een wereldgemeenschap van gelovigen; en de Amerikaanse mix van macht en democratische missie.

De Europese of ‘Westfaalse’ orde van machtsevenwicht tussen staten heeft in Kissingers analyse in het Midden-Oosten nooit voet aan de grond gekregen – pogingen van koloniale machten en seculiere dictators ten spijt. Voor jihadisten is de staat onrechtmatig en staat het Westfaalse non-interventie-beginsel haaks op hun plicht de wereld der ongelovigen te transformeren. Puurheid, niet stabiliteit is hun leidende principe. Het is geen zaak van cultuur. De vrede van 1648 volgde bij ons in Europa op een eeuw oorlogen tussen katholieken en protestanten – martelaren, bloedbruiloften, beeldenstorm. In de Duitse landen stierf in dertig jaar tijd één derde van de bevolking. Wij waren het Midden-Oosten.

Het loslaten van religieuze idealen ten gunste van vrede vergt politieke moed. In de huidig chaos, met volop kansen op regionale machtsuitbreiding, is het de vraag of de Iranese ayatollahs daar voordeel van zien.