Hoe zat het toch met mijn overgrootvader?

In dit familierelaas reconstrueert de schrijfster de ondergang van een adellijk geslacht in de Donaumonarchie en in het Hongarije van na de oorlog. De sporen voeren uiteindelijk naar Nederland.

Een exotische voorouder levert soms mooie non-fictie op. Een goed voorbeeld daarvan is The hare with the amber eyes (2010), waarin Thomas de Waal de geschiedenis van de rijke joodse familie Ephrussi beschrijft door een netsuke-collectie te volgen die van generatie op generatie wordt doorgegeven. Van het Odessa onder de tsaar voert hij je naar het Parijs van Proust, het Wenen van Freud, het Engeland van de Tweede Wereldoorlog en het na-oorlogse Tokio.

Olga Majeau (1967) kan zich met haar debuut Een schitterend isolement enigszins met zulke familieschrijvers meten. Anders dan bij De Waal, die op een zakelijke toon het verleden oproept, doet ze dat soms te emotioneel, wat ten koste gaat van de meerwaarde van haar boek. Een familiegeschiedenis is tenslotte pas geslaagd als die het relaas van een familie weet te koppelen aan de geschiedenis. Zodra de beschreven personen worden losgeweekt van hun tijd of het verhaal te persoonlijk wordt, dan schiet de auteur zijn doel voorbij.

Dat overkomt Majeau bijvoorbeeld wanneer ze in haar proloog een larmoyante brief schrijft aan haar dode overgrootvader Árpád Eperjesy, die ze nooit gekend heeft, omdat ze als kind bij hem is weggehouden.

De ontrafeling van dat raadsel voert haar eerst naar haar grootmoeder Elfi, die na de dood van haar man in 1974 spoorloos is verdwenen om pas in 1995 weer op te duiken. Majeau wordt Elfi’s vertrouweling, wat niet wil zeggen dat haar kleindochter iets over haar grootmoeders afkomst komt te weten. Dat gebeurt pas na Elfi’s dood wanneer Olga in haar nalatenschap een afscheidsbrief uit 1929 van Elfi’s moeder Hertha von Arnim aan haar man Árpád aantreft, van wie ze toen net was gescheiden. Die brief wekt bij Majeau het spontane verlangen om op zoek te gaan naar Árpád.

Hongaarse goelag

Árpád was opgeleid als diplomaat van de Habsburgse keizer, maar belandde na het uiteenvallen van de Dubbelmonarchie in 1918 als secretaris op het Hongaarse ministerie van Buitenlandse Zaken. In 1951 werd hij samen met zijn dertig jaar jongere, tweede vrouw en zoontje door de nieuwe communistische heersers als volksvijand naar de Hongaarse goelag verbannen. Na de dood van Stalin, in 1953, kwam hij vrij. Drie jaar later, kort voor de Hongaarse opstand, kreeg hij toestemming om naar Nederland te emigreren. Daar woonde zijn dochter Elfi, die in 1938 met een Nederlander was getrouwd. Maar eenmaal in Nederland hadden vader en dochter geen contact met elkaar. En dat is het tweede raadsel dat in Een schitterend isolement wordt opgelost.

Majeau reconstrueert haar familiegeschiedenis secuur en probeert de hiaten in haar bevindingen zo aannemelijk mogelijk in te vullen. Ze gaat daarbij terug naar Árpáds grootmoeder, Bettina von Arnim, een sleutelfiguur uit de Duitse romantiek die bevriend was met zowel Goethe als Karl Marx. Van haar kom je weinig te weten. Dat is jammer, omdat Majeau aan de hand van Von Arnim een mooi beeld van het Berlijnse intellectuele leven had kunnen schetsen, zoals De Waal dat deed met het Wenen en Parijs van zíjn voorouders. Even bekaaid komt Bettina’s dochter Maximiliane er vanaf, die een beroemde societyfiguur was aan het Pruisische hof.

Majeau maakt veel goed als ze bij Armgard, de dochter van Maximiliane en de vrouw van de diplomaat Albert Eperjesy, belandt. In dit milieu van de high society van vóór 1914 groeit Árpád op. Dit deel van Majeau levert mooie passages op, die een bittere ondertoon krijgen wanneer Albert, die na zijn afzwaaien als ambassadeur door de keizer in de adelstand is verheven, in 1916 overlijdt. De weduwe en haar zoon blijven achter op de Wehrburg, het kasteel van de Eperjesy’s in Zuid-Tirol, dan nog Oostenrijks grondgebied. Als de streek na 1918 aan Italië toevalt, heeft dit catastrofale gevolgen voor moeder en zoon, die in de volgende jaren zowel hun kasteel als de daar ondergebrachte kunstverzameling kwijtraken.

Pijlkruisers

Een rode draad in Majeau’s speurtocht is een schilderij van Frans von Lenbach, waarop Árpád en zijn moeder staan afgebeeld. Het brengt haar naar Boedapest, waar ze achterhaalt wat Árpád tijdens het regime van de fascistische Pijlkruisers en onder de communisten heeft meegemaakt. Hij overleeft weliswaar de terreur, waarin driehonderdduizend andere Hongaren omkwamen, maar zijn leven in Hongarije blijft een kwelling.

Berooid, maar in een ‘schitterend isolement’ woont hij met zijn gezin op een kamertje in een afgelegen huis op een berg even buiten Boedapest. Majeau weet dat isolement in woorden te vangen, terwijl er eigenlijk geen woorden voor bestaan. Je beseft dat des te sterker als ze op zoek gaat naar de laatste sporen van Árpád en zijn gezin in Nederland. Als haar reconstructie voltooid is, resteert van haar familie alleen nog het Lenbach-schilderij.