Hier loopt protest tegen racisme uit op stammenstrijd

De mythe ‘Europa’ is uitgewerkt, we importeren enkel nog identitaire conflicten en strijden voor ons eigen gelijke recht, ziet Bas Heijne.

Illustratie Arcadio

Op 21 maart vond in Amsterdam de jaarlijkse demonstratie plaats in het kader van de Internationale Dag tegen Racisme en Discriminatie. De opkomst, een paar honderd man, viel tegen, zeker gezien de vele vormen van racisme waartegen de organisatie zich keerde – want behalve tegen racisme in het algemeen, protesteerde men ook tegen „islamofobie, afrofobie en antisemitisme”.

Vooraf al was er controverse over een van de sprekers, de rapper Appa, die bij een eerdere betoging dingen had geroepen die als antisemitisch werden beschouwd. De voorzitter van de Joodse belangenorganisatie CIDI, Esther Voet, was toch naar de demonstratie gekomen, omdat ze haar „solidariteit immers niet liet kapen door sommige bedenkelijke organisaties”. Niettemin verliet ze de demonstratie halverwege. In een blog beschreef ze achteraf haar gemengde gevoelens. Ze was gekomen, schreef ze, om eenheid en solidariteit te beleven, maar trof slechts agressie en verdeeldheid aan. Joden werden als groep niet genoemd in de toespraken. „Deze demonstratie ging niet over eenheid, niet over universele verontwaardiging, niet over een duidelijk, eendrachtig signaal, maar over zeer selectief en eenzijdig mooie sier maken voor eigen parochie.” En toen moest Appa nog komen.

Dit tafereel roept interessante vragen op. Voet miste „universele verontwaardiging” over racisme. Dat kun je inderdaad opmerkelijk noemen, want steeds meer mensen zijn het erover eens dat racisme een probleem in Nederland is. Rapport na rapport constateert een grove achterstelling van allochtonen op de arbeidsmarkt, monitoren stellen een stijging in racistische en antisemitische incidenten vast, en nog afgelopen week werd bekend dat maar weinig aangiften wegens discriminatie bij het OM belanden. Tegelijkertijd geeft het stijgend aantal klachten ook aan dat er een groeiend bewustzijn van het probleem is. Het Zwarte Piet-debat mag de samenleving jaarlijks verscheuren, er is iets zichtbaar geworden dat zich niet langer laat ontkennen. Maar waarom krijgt een demonstratie tegen racisme dan het aanzien van onverkwikkelijke stammenstrijd?

Er werd daar op het Museumplein wel voortdurend een beroep gedaan op universele waarden – aan het eind van zijn toespraak vol woede riep Appa op tot liefde – maar dat verhield zich totaal niet tot de rode draad die door veel van de toespraken liep: het gevoel dat de samenleving in het algemeen geen oog heeft voor de door de spreker ervaren achterstelling en krenking. Hoe kan je dan „samen sterk” zijn? En hoe kun je je solidair voelen met de gevoelens van achtergesteldheid van moslims, wanneer je de sprekers die voor die groep opkomen van antisemitisme verdenkt? Hoe kun je als homo opkomen voor groepen waarin homofobie endemisch lijkt? Hoe kun je oproepen tot de huldiging van universele waarden wanneer je bepaalde groepen ervan verdenkt dat die helemaal niet universalistisch willen zijn, maar slechts opkomen voor hun recht op culturele of religieuze eigenheid?

Wat het wantrouwen alleen maar groter maakt – niet alleen tijdens die demonstratie – is het gevoel dat juist die algemene taal van antiracisme en solidariteit tot een vorm van hypocrisie is verworden, een truc om je ware, duistere aard de schijn van verlichting te geven. Geldt de „liefde” van Appa ook voor moslimhomo’s? Richt de „universele verontwaardiging” waar Voet voor pleit zich werkelijk tegen de aanhoudende stigmatisering van moslims? Wanneer men te vaak betrapt wordt op een dubbele standaard, wanneer de taal van de verlichting te vaak misbruikt wordt om niet-verlichte noties en praktijken te vergoelijken en te rechtvaardigen, verliest die taal zijn waarde. Wat het rumoer illustreerde was dat de algemene, universalistische, verlichte taal van gelijkwaardigheid inmiddels diep geïmpregneerd is door gevoelens en denkbeelden die haaks op het streven staan dat die taal wil uitdrukken.

Wie het nieuws volgt, zal gauw het gevoel hebben in de omgekeerde wereld beland te zijn. Waar gemeenschappelijkheid wordt verwacht, heerst verdeeldheid. Waar tot solidariteit wordt opgeroepen, steekt wantrouwen de kop op. Waar empathie met de ander wordt verondersteld, overheerst egotripperij. Waar wij moet zijn, dringt het „en ik dan” naar voren. Wat een demonstratie van gemeenschappelijk activisme moet zijn, wordt dan al snel een theatraal vertoon van gekrenktheid. Daardoor wordt zo’n demonstratie geen tegenkracht tegen bepaalde kwaadaardige tendensen in de samenleving, maar wordt die er een symptoom van.

Hoe erg is dat? Is het fel in geweer komen tegen maatschappelijk onrecht niet gewoon politiek activisme? Activisme gaat nu eenmaal onherroepelijk gepaard met emotionele taal. Ook zal het altijd allereerst op het eigen gevoel van miskenning en achterstelling gebaseerd zijn. Begrijp me goed, zulk activisme is broodnodig, zeker in een samenleving waarin iedere aanklacht tegen dovemansoren gericht lijkt, een samenleving waarin een groot probleem als discriminatie op de arbeidsmarkt schouderophalend wordt afgedaan door onze minister-president. Maar soms lijkt het er ook verdacht veel op dat we juist het tegenovergestelde beleven, een almaar groter wordende fragmentatie van de samenleving, waarin verschillende identiteiten elkaar op een onverzoenlijke wijze bevechten.

Een paar jaar geleden schreef ik een essay, getiteld Moeten wij van elkaar houden?, waarin ik stelde dat het hedendaagse populisme onmiskenbaar deel uitmaakt van de lange traditie van de Contra-Verlichting. Waar het Verlichtingsdenken universele waarden bepleit – daar legt de Contra-Verlichting juist de nadruk op eigenheid. Waar de Verlichting het streven van de mens naar individuele autonomie vertolkt, onderstreept de Contra-Verlichting het belang van de groep, cultuur, geschiedenis en traditie en de eigen identiteit. In de ogen van een aanhanger van de Contra-Verlichting is universalisme niet alleen een illusie of een vorm van intelligente hypocrisie, maar iets wat een bedreiging vormt voor het idee van gemeenschap.

In zijn uitdagende geschiedenis van de mensheid, getiteld Sapiens, legt de Israëlische historicus Yuval Noah Harari uit dat mensen evolutionair zijn uitgerust om samen te werken in kleine groepen – zoals we elkaar kennen, zijn we geneigd er samen de schouders onder te zetten. Maar naarmate de groepen groter worden, wordt samenwerken moeilijker – om grote groepen samen te laten optrekken, is een verbindend verhaal nodig, een gedeelde overtuiging of geloof, of zoals Harari het uitdrukt, een mythe. Ik hoef u niet uit te leggen dat de EU de eerste decennia in de greep verkeerde van een krachtige, gedeelde mythe – de mythe van de herrijzenis, de mythe van enerzijds de economische wederopbouw en anderzijds de mythe van het „nooit weer!”. Wie voor Europa was, stond aan de kant van de Verlichting. Deze nieuwe gemeenschap zou het voortaan stellen zonder de vernietigende eigenschappen die oude vormen van gemeenschap hadden gekenmerkt – benauwd groepsdenken, nationalisme, aanspraak op de vermeende superioriteit van de eigen cultuur, geloof in een unieke lotsbestemming van volk en vaderland. Maar door de sterke weerzin tegen de geloofsartikelen die tot de catastrofe van ’40-45 had geleid, was er te weinig ruimte voor het besef van de enorme opdracht die men zichzelf had gesteld: hoe een gemeenschap te vormen zonder de klassieke eigenschappen van een gemeenschap?

Overal bloeit nu de Contra-Verlichting. Kijk naar Rusland, maar ook naar Griekenland. Kijk naar het nationalistisch-religieuze Turkije: niemand hoor je meer over toetreding. Dat de anti-Europese partijen binnen de EU actief gesteund worden door het Rusland van Poetin, spreekt boekdelen. Wanneer een mythe is uitgewerkt, gaat men op zoek naar nieuwe mythes. Wanneer er geen gemeenschappelijke voorgrond meer is, klampt men zich vast aan achtergronden: geloof, afkomst, cultuur. Dat wenst men niet meer te overstijgen.

In de nasleep van de aanslag op de redactie van Charlie Hebdo zond Nieuwsuur een item uit, waarin de Franse filosoof Alain Finkielkraut tegenover de Frans-Algerijnse rapper Médine werd gezet. Die had een clip, Don’t Laïk, waarin verschillende emoties elkaar vonden – maatschappelijke achterstelling, de hypocrisie van een samenleving, die universele waarden zou uitdragen en ondertussen grote groepen als tweederangs burgers behandelt – en tegelijk het recht op ongelijkheid, het recht om streng-islamitische waarden te koesteren, die zich tegen universalistische aanspraken van de Verlichting keert. In het item zagen we een hoofdschuddende Finkielkraut voor zijn boekenkast – Médine was gefilmd op zijn sportschool – die het fundamentalistische gedachtegoed van Médine beschouwde als een aanslag op de idealen van de Verlichting. Maar ook Finkielkraut is steeds meer geneigd die idealen te zien als een Frans product – en de reactie ertegen als een aanslag op de Franse identiteit.

Dat proces lijkt in een stroomversnelling geraakt. In een geglobaliseerde wereld worden identitaire conflicten gemakkelijk geïmporteerd, en raakt het streven naar gezamenlijkheid gemakkelijk ondergeschikt aan het opeisen van het recht op eigenheid en het recht op ongelijkheid. Dat schept een klimaat waarin men elkaar voortdurend de maat neemt, zonder dat dat tot veranderingen leidt.

De hoogste tijd om Verlichtingsidealen weer in stelling te brengen tegen onverdraagzaamheid, hypocrisie, zelotendom, extremisme, ongegeneerd racisme en ideologische blikvernauwing – zonder aanzien des persoons. Ik weet het: geen recept voor een maatschappij waarin iedereen gelijkwaardig zal zijn – zo zijn mensen nu eenmaal niet. En zeker niet voor maatschappelijke rust. Maar wat mij betreft zijn ze de enige bindende kracht die onze samenleving voor verdere desintegratie kan behoeden.